
Fiscale ringfencing bij olie- en gascontractors
| starnieuws | Door: Redactie
Siegfried Kenswil De heer Shyamnarain bracht een nuancering aan bij mijn stelling dat de Surinaamse belastingwetgeving geen fiscale ringfence kent. Ik waardeer die reactie. Zijn betoog rust op twee pijlers: artikel 19 van de Petroleumwet en artikel 19.2.1 van de model-PSC.
Artikel 19 Petroleumwet is een registratiebepaling
Artikel 19 van de Petroleumwet regelt twee dingen. Lid 1 verplicht de contractor kantoor te houden in Paramaribo. Lid 2 bepaalt dat dit kantoor overeenkomstig de wettelijke bepalingen wordt geregistreerd. De Memorie van Toelichting bij
De model-PSC verwijst voor de heffing terug naar de wet
Dan de tweede pijler: artikel 19.2.1 van de model-PSC. Cruciaal is dat deze bepaling voor de heffing zélf expliciet terugverwijst naar de Wet Inkomstenbelasting 1922 (die geen fiscale ringfencebepaling bevat). Zij geeft een indicatie van de in aanmerking te nemen opbrengsten en kosten, maar de belasting wordt geheven binnen die wet, niet binnen het contract. De PSC creëert dus geen zelfstandig fiscaal regime.
Cost recovery-ringfence per veld is geen fiscale ringfence per block
De ringfencing in de PSC is een cost recovery-ringfence: een contractueel mechanisme dat per commercieel veld bepaalt welke kosten met de olie mogen worden verrekend. Dat is iets anders dan een fiscale ringfence in de heffing. Bovendien werkt de PSC-ringfence per commercieel veld, terwijl de heer Shyamnarain spreekt over ringfencing per block. De Petroleumwet onderscheidt beide uitdrukkelijk: het veld is een geologisch omschreven accumulatie (artikel 1), het block is het contractgebied en artikel 24 bepaalt dat hun grenzen niet noodzakelijk samenvallen. Een contractuele cost recovery-ringfence per veld wordt zo gebruikt om een fiscale
Er was geen discussie, tot nu
De auteur waarschuwt dat mijn uitspraak tot onnodige discussies tussen partijen kan leiden. Sinds de eerste PSC's zijn de aangiften echter zonder fiscale ringfencing ingediend en steevast door de Belastingdienst aanvaard. Er wás dus geen discussie. Dat is ook praktisch verklaarbaar. Een buitenlandse vennootschap die via meerdere blocks opereert, blijft in beginsel één belastingplichtige en de Belastingdienst werkt per belastingplichtige met één aangifte. Zowel Staatsolie als de Staat is er bovendien mee bekend dat in de meeste gevallen dezelfde vennootschap van een contractor de verschillende PSC's tekent. De praktijk en de administratie van de Belastingdienst zijn er niet op ingesteld om die ene vennootschap op te knippen in meerdere vaste inrichtingen of branches, met een afzonderlijke, geïsoleerde heffing per block.
De discussie ontstaat nu
Siegfried G. Kenswil LL.M.
Artikel 19 Petroleumwet is een registratiebepaling
Artikel 19 van de Petroleumwet regelt twee dingen. Lid 1 verplicht de contractor kantoor te houden in Paramaribo. Lid 2 bepaalt dat dit kantoor overeenkomstig de wettelijke bepalingen wordt geregistreerd. De Memorie van Toelichting bij
de Petroleumwet 1990 koppelt dit artikel uitdrukkelijk aan het Wetboek van Koophandel en de Handelsregisterwet. Ook de wetgever van 2022 behandelt artikel 19 als een registratie- en compliancebepaling, gericht op het nakomen van de daaruit voortvloeiende fiscale verplichtingen, dat wil zeggen aangifte en voldoening. Het is geen materiële heffingsregel. Uit een kantoor- en registratieverplichting kan geen aftrekbegrenzing per veld of contract volgen. Fiscale ringfencing in deze bepaling lezen is creatief, maar mijns inziens geen pleitbaar standpunt.
De model-PSC verwijst voor de heffing terug naar de wet
Dan de tweede pijler: artikel 19.2.1 van de model-PSC. Cruciaal is dat deze bepaling voor de heffing zélf expliciet terugverwijst naar de Wet Inkomstenbelasting 1922 (die geen fiscale ringfencebepaling bevat). Zij geeft een indicatie van de in aanmerking te nemen opbrengsten en kosten, maar de belasting wordt geheven binnen die wet, niet binnen het contract. De PSC creëert dus geen zelfstandig fiscaal regime.
Dit is precies wat de wetgever in 2022 heeft bevestigd: een petroleumovereenkomst kan geen fiscale faciliteiten verlenen die niet eerder in een wet zijn geregeld, en wat fiscaal in een PSC kan worden overeengekomen, wordt beheerst en begrensd door artikel 9, lid 1, van de Petroleumwet.
Cost recovery-ringfence per veld is geen fiscale ringfence per block
De ringfencing in de PSC is een cost recovery-ringfence: een contractueel mechanisme dat per commercieel veld bepaalt welke kosten met de olie mogen worden verrekend. Dat is iets anders dan een fiscale ringfence in de heffing. Bovendien werkt de PSC-ringfence per commercieel veld, terwijl de heer Shyamnarain spreekt over ringfencing per block. De Petroleumwet onderscheidt beide uitdrukkelijk: het veld is een geologisch omschreven accumulatie (artikel 1), het block is het contractgebied en artikel 24 bepaalt dat hun grenzen niet noodzakelijk samenvallen. Een contractuele cost recovery-ringfence per veld wordt zo gebruikt om een fiscale
ringfence per block te onderbouwen. Daarmee worden cost recovery en heffing, en veld en block, ten onrechte gelijkgesteld.
Er was geen discussie, tot nu
De auteur waarschuwt dat mijn uitspraak tot onnodige discussies tussen partijen kan leiden. Sinds de eerste PSC's zijn de aangiften echter zonder fiscale ringfencing ingediend en steevast door de Belastingdienst aanvaard. Er wás dus geen discussie. Dat is ook praktisch verklaarbaar. Een buitenlandse vennootschap die via meerdere blocks opereert, blijft in beginsel één belastingplichtige en de Belastingdienst werkt per belastingplichtige met één aangifte. Zowel Staatsolie als de Staat is er bovendien mee bekend dat in de meeste gevallen dezelfde vennootschap van een contractor de verschillende PSC's tekent. De praktijk en de administratie van de Belastingdienst zijn er niet op ingesteld om die ene vennootschap op te knippen in meerdere vaste inrichtingen of branches, met een afzonderlijke, geïsoleerde heffing per block.
De discussie ontstaat nu
juist door te stellen dat fiscale ringfencing van toepassing zou zijn op PSCs die al jaren lopen. Bestaande contracten rusten bovendien op de stabilisatieclausule en op stabilisatiegaranties. Voortschrijdend inzicht van de uitvoerder is geen wetswijziging die met terugwerkende kracht op die verhoudingen kan ingrijpen.
Siegfried G. Kenswil LL.M.
| starnieuws | Door: Redactie




































