
Zunder: Verhoging minimumuurloon biedt wrokomans weinig verlichting
| starnieuws | Door: Redactie
Vakbondsleider Armand Zunder De verhoging van het algemene minimumuurloon van SRD 52,47 naar SRD 61,25 per 1 juli 2026 is volgens vakbondsleider Armand Zunder een noodzakelijke stap, maar nog geen reden tot tevredenheid. Door inflatie, waardevermindering van de SRD en stijgende kosten van levensonderhoud blijft de feitelijke koopkracht van werknemers onder grote druk. Zunder pleit daarom voor de invoering van sectorale minimumuurlonen.
Na advies van de Nationale Loonraad heeft de regering het algemene minimumuurloon aangepast naar SRD 61,25. Bij een voltijdsdienstverband
Volgens Zunder verdienen veel werknemers in de informele sector en bij mini- en micro-ondernemingen het wettelijke minimumloon of zelfs minder. Ook bewakingspersoneel, pompbedienden, thuiszorgmedewerkers, afvalophalers, interieurverzorgers en horecamedewerkers behoren volgens hem tot de groepen die vaak op of rond het minimumloon zitten. Hij merkt op dat er na de bekendmaking van het aangepaste minimumuurloon nauwelijks sprake was van een hoerastemming onder deze categorieën werknemers. “Dat is begrijpelijk, omdat zij dagelijks merken dat de
Verschillen tussen sectoren
Zunder vindt dat Suriname moet nagaan of één algemeen minimumuurloon nog wel aansluit bij de huidige economische werkelijkheid. De wettelijke ondergrens moet volgens hem behouden blijven, maar daarnaast zouden sectorale minimumuurlonen kunnen worden vastgesteld.
Hij wijst erop dat er grote verschillen bestaan tussen sectoren wat betreft arbeidsproductiviteit, winstgevendheid, scholing en certificering. Sectoren als ICT, mijnbouw, olie en gas en financiële dienstverlening beschikken volgens hem doorgaans over een grotere economische draagkracht dan de traditionele landbouw, detailhandel en horeca.
“Het is niet logisch om alle sectoren uitsluitend langs dezelfde meetlat te leggen. Het algemene minimumuurloon kan als absolute ondergrens blijven gelden, maar sectoren die financieel sterker zijn en een hogere arbeidsproductiviteit hebben, zouden een hoger minimum moeten hanteren”, zegt Zunder. Hij verwijst ook naar de opkomst van nieuwe functies, zoals socialmediamedewerker, data-analist, AI-specialist, droneoperator, offshoretechnicus, klantenservicemedewerker
Nominaal boven de armoedegrens
Het nieuwe minimummaandloon ligt nominaal boven de officiële armoedegrens voor één volwassene. De armoedegrens voor een eenpersoonshuishouden was per eind 2024 vastgesteld op SRD 7.337. Het verschil met het nieuwe minimummaandloon bedraagt ruim SRD 3.200.
Volgens Zunder geeft deze vergelijking echter een onvolledig beeld. “Je kunt niet alleen naar het nominale bedrag kijken. Je moet ook rekening houden met wat dat geld werkelijk nog waard is.”
Uitgaande van 2022 als basisjaar, bedroeg de koopkracht van de SRD in 2025 volgens de door hem gebruikte berekeningen nog ongeveer 43 procent. Op basis daarvan vertegenwoordigt een minimummaandloon van SRD 10.616 volgens Zunder in koopkracht van 2022 een
“De werknemer ziet dus meer dan SRD 10.000 op zijn loonstrook, maar zijn werkelijke bestedingsmogelijkheden liggen veel lager. Dat verklaart waarom de aanpassing niet direct als een grote vooruitgang wordt ervaren.”
Gezinnen blijven kwetsbaar
Voor huishoudens met meerdere gezinsleden is de situatie volgens Zunder nog moeilijker. Hij wijst erop dat de armoedegrens voor een gezin van twee volwassenen en twee kinderen eind 2025 naar schatting SRD 17.464 per maand bedroeg. Wanneer één persoon binnen zo’n huishouden het minimummaandloon van ongeveer SRD 10.616 verdient, wordt volgens zijn berekening slechts ongeveer 61 procent gedekt van het inkomen dat nodig is om in de basisbehoeften te voorzien.
Handhaving blijft noodzakelijk
Hoewel hij kritisch is over de hoogte en de reële waarde van het minimumloon, noemt Zunder de verhoging wel een belangrijke beschermingsmaatregel tegen onderbetaling. De handhaving van de wet blijft volgens hem echter een zwak punt. Vooral in de informele sector en bij kleinere ondernemingen moet beter worden gecontroleerd of werknemers daadwerkelijk het wettelijke minimumloon ontvangen.
Zunder vindt dat een toekomstgericht minimumloonbeleid niet uitsluitend mag worden gebaseerd op het nominale uurbedrag. Ook inflatie, koopkracht, armoedegrenzen, arbeidsproductiviteit, sectorale prestaties en de draagkracht van mini- en micro-ondernemingen moeten worden meegewogen.“De verhoging naar SRD 61,25 is een stap, maar geen eindpunt. Zolang de koopkracht achteruitgaat en gezinnen met één minimuminkomen hun basisbehoeften niet kunnen dekken, is er voor veel wrokomans nog weinig reden om te juichen”, benadrukt Zunder.
Na advies van de Nationale Loonraad heeft de regering het algemene minimumuurloon aangepast naar SRD 61,25. Bij een voltijdsdienstverband
van gemiddeld 173,33 arbeidsuren per maand komt dit neer op een bruto minimummaandloon van ongeveer SRD 10.616. Zunder zegt dat het nieuwe bedrag op het eerste gezicht een behoorlijke verbetering lijkt, maar dat de realiteit voor veel werknemers anders is. “Het bedrag op de loonstrook stijgt, maar dat betekent niet automatisch dat de werknemer ook meer kan kopen. De inflatie en de waardevermindering van de SRD hebben de koopkracht de afgelopen jaren sterk uitgehold”, stelt hij.
Volgens Zunder verdienen veel werknemers in de informele sector en bij mini- en micro-ondernemingen het wettelijke minimumloon of zelfs minder. Ook bewakingspersoneel, pompbedienden, thuiszorgmedewerkers, afvalophalers, interieurverzorgers en horecamedewerkers behoren volgens hem tot de groepen die vaak op of rond het minimumloon zitten. Hij merkt op dat er na de bekendmaking van het aangepaste minimumuurloon nauwelijks sprake was van een hoerastemming onder deze categorieën werknemers. “Dat is begrijpelijk, omdat zij dagelijks merken dat de
kosten van voeding, huisvesting, vervoer, gezondheidszorg, internet en nutsvoorzieningen blijven stijgen.”
Verschillen tussen sectoren
Zunder vindt dat Suriname moet nagaan of één algemeen minimumuurloon nog wel aansluit bij de huidige economische werkelijkheid. De wettelijke ondergrens moet volgens hem behouden blijven, maar daarnaast zouden sectorale minimumuurlonen kunnen worden vastgesteld.
Hij wijst erop dat er grote verschillen bestaan tussen sectoren wat betreft arbeidsproductiviteit, winstgevendheid, scholing en certificering. Sectoren als ICT, mijnbouw, olie en gas en financiële dienstverlening beschikken volgens hem doorgaans over een grotere economische draagkracht dan de traditionele landbouw, detailhandel en horeca.
“Het is niet logisch om alle sectoren uitsluitend langs dezelfde meetlat te leggen. Het algemene minimumuurloon kan als absolute ondergrens blijven gelden, maar sectoren die financieel sterker zijn en een hogere arbeidsproductiviteit hebben, zouden een hoger minimum moeten hanteren”, zegt Zunder. Hij verwijst ook naar de opkomst van nieuwe functies, zoals socialmediamedewerker, data-analist, AI-specialist, droneoperator, offshoretechnicus, klantenservicemedewerker
en virtueel assistent. Deze ontwikkelingen maken het volgens hem noodzakelijk om het loonstelsel opnieuw te bekijken.
Zunder pleit voor een tweelaags systeem: een algemeen wettelijk minimumuurloon voor alle werknemers en daarnaast hogere minimumuurlonen per sector of functie.
Nominaal boven de armoedegrens
Het nieuwe minimummaandloon ligt nominaal boven de officiële armoedegrens voor één volwassene. De armoedegrens voor een eenpersoonshuishouden was per eind 2024 vastgesteld op SRD 7.337. Het verschil met het nieuwe minimummaandloon bedraagt ruim SRD 3.200.
Volgens Zunder geeft deze vergelijking echter een onvolledig beeld. “Je kunt niet alleen naar het nominale bedrag kijken. Je moet ook rekening houden met wat dat geld werkelijk nog waard is.”
Uitgaande van 2022 als basisjaar, bedroeg de koopkracht van de SRD in 2025 volgens de door hem gebruikte berekeningen nog ongeveer 43 procent. Op basis daarvan vertegenwoordigt een minimummaandloon van SRD 10.616 volgens Zunder in koopkracht van 2022 een
waarde van ongeveer SRD 4.565.
“De werknemer ziet dus meer dan SRD 10.000 op zijn loonstrook, maar zijn werkelijke bestedingsmogelijkheden liggen veel lager. Dat verklaart waarom de aanpassing niet direct als een grote vooruitgang wordt ervaren.”
Gezinnen blijven kwetsbaar
Voor huishoudens met meerdere gezinsleden is de situatie volgens Zunder nog moeilijker. Hij wijst erop dat de armoedegrens voor een gezin van twee volwassenen en twee kinderen eind 2025 naar schatting SRD 17.464 per maand bedroeg. Wanneer één persoon binnen zo’n huishouden het minimummaandloon van ongeveer SRD 10.616 verdient, wordt volgens zijn berekening slechts ongeveer 61 procent gedekt van het inkomen dat nodig is om in de basisbehoeften te voorzien.
“Voor een gezin van vier personen is één minimumloon duidelijk onvoldoende. Er zijn meerdere inkomsten nodig om de kloof te dichten. Dit is een duidelijk voorbeeld van werkende armen: mensen die wel een baan hebben, maar met hun inkomen
toch niet uit de armoede komen.”
Handhaving blijft noodzakelijk
Hoewel hij kritisch is over de hoogte en de reële waarde van het minimumloon, noemt Zunder de verhoging wel een belangrijke beschermingsmaatregel tegen onderbetaling. De handhaving van de wet blijft volgens hem echter een zwak punt. Vooral in de informele sector en bij kleinere ondernemingen moet beter worden gecontroleerd of werknemers daadwerkelijk het wettelijke minimumloon ontvangen.
Zunder vindt dat een toekomstgericht minimumloonbeleid niet uitsluitend mag worden gebaseerd op het nominale uurbedrag. Ook inflatie, koopkracht, armoedegrenzen, arbeidsproductiviteit, sectorale prestaties en de draagkracht van mini- en micro-ondernemingen moeten worden meegewogen.“De verhoging naar SRD 61,25 is een stap, maar geen eindpunt. Zolang de koopkracht achteruitgaat en gezinnen met één minimuminkomen hun basisbehoeften niet kunnen dekken, is er voor veel wrokomans nog weinig reden om te juichen”, benadrukt Zunder.
| starnieuws | Door: Redactie




































