• zaterdag 20 June 2026
  • Het laatste nieuws uit Suriname
Ramcharan: Wijnerman verdraait de discussie – het gaat niet om OMO’s, maar terughalen van geld van het volk

Ramcharan: Wijnerman verdraait de discussie – het gaat niet om OMO’s, maar terughalen van geld van het volk

| chronostimes | Door: Redactie

Waarom de minister, de begrotingscommissie en delen van De Nationale Assemblée de verkeerde discussie voeren terwijl Suriname juist nu geld nodig heeft voor onderwijs, veiligheid, gezondheidszorg en sterke instituties

De minister geeft antwoord op een vraag die niet relevant is

Wie de bijdrage van minister Adelien Wijnerman tijdens de begrotingsbehandeling zorgvuldig heeft gevolgd, kon moeilijk aan de indruk ontsnappen dat er bewust langs de kern van de discussie werd gepraat. De minister besteedde veel tijd aan het verdedigen van de Open Markt Operaties (OMO’s) van de Centrale Bank van Suriname. Zij legde uit dat deze instrumenten noodzakelijk waren om overtollige liquiditeiten uit het systeem te halen, de inflatie te beteugelen en de wisselkoers stabiel te houden. Dat verhaal is op zichzelf niet controversieel. Vrijwel iedere econoom begrijpt dat een centrale bank instrumenten nodig heeft om monetair beleid te voeren en dat OMO’s wereldwijd worden

gebruikt om geldhoeveelheden te beheersen. Maar dat is helemaal niet waar de maatschappelijke discussie over gaat. Niemand van betekenis heeft voorgesteld om de OMO’s af te schaffen. Niemand heeft beweerd dat de Centrale Bank haar monetaire gereedschapskist moet weggooien. Niemand heeft gezegd dat stabiliteit van de wisselkoers onbelangrijk is. Het echte debat gaat over een heel andere vraag.

Het gaat over de uitzonderlijk hoge rentevergoedingen die gedurende jaren via het OMO-systeem zijn betaald aan commerciële banken, de uitzonderlijke winsten die daardoor zijn ontstaan en de vraag of de overheid niet het recht en zelfs de plicht heeft om een deel van die winsten tijdelijk terug te halen ten gunste van de samenleving die uiteindelijk de rekening heeft betaald. Door die discussie te vervangen door een technisch betoog over monetair beleid ontstaat een klassieke politieke afleidingsmanoeuvre. De minister verdedigt een instrument dat niemand ter discussie stelt, terwijl zij

de vraag ontwijkt die werkelijk gesteld wordt: waarom zou de samenleving niet mogen profiteren van een deel van de miljarden die dankzij datzelfde beleid bij de banken terecht zijn gekomen?

De banken waren de grote winnaars van het IMF-tijdperk

De afgelopen jaren zijn voor veel Surinamers bijzonder zwaar geweest. De bevolking heeft te maken gehad met inflatie, koopkrachtverlies, prijsstijgingen, hogere energiekosten en de gevolgen van economische hervormingen die onder druk van het IMF werden doorgevoerd. Ambtenaren, gepensioneerden, leerkrachten en kleine ondernemers hebben allemaal offers moeten brengen. Het argument was telkens hetzelfde: het land moest door een moeilijke periode heen om uiteindelijk weer stabiliteit te bereiken. Terwijl die offers werden gevraagd, gebeurde er echter nog iets anders. De commerciële banken profiteerden van een systeem waarin hoge OMO-rentes werden betaald op middelen die bij de Centrale Bank werden geplaatst. Dat is geen mening maar een feitelijke

constatering. De winsten in de bancaire sector bereikten niveaus die enkele jaren eerder nauwelijks voorstelbaar waren geweest. Dat mag best worden uitgesproken. Sterker nog, een volwassen samenleving moet juist bereid zijn die discussie te voeren. Wanneer een sector uitzonderlijk profiteert van een uitzonderlijke economische situatie, is het niet vreemd om de vraag te stellen of een deel van die opbrengsten tijdelijk kan worden ingezet voor bredere maatschappelijke doelen. Dat gebeurt wereldwijd. Tijdens de energiecrisis voerden verschillende Europese landen extra belastingen in voor energiebedrijven die recordwinsten boekten. Oliebedrijven kregen te maken met zogenaamde windfall taxes. Zelfs binnen Suriname werd van Staatsolie verwacht dat zij een bijdrage zou leveren aan de samenleving. Waarom zou de bancaire sector dan volledig buiten iedere discussie over maatschappelijke solidariteit moeten blijven?

Het geld blijft gewoon van het volk

Een van de zwakste argumenten die regelmatig worden gebruikt tegen een tijdelijke

bankenbelasting is dat een dergelijke maatregel destabiliserend zou werken voor de economie. Dat klinkt indrukwekkend, maar houdt bij nadere analyse nauwelijks stand. Wanneer de overheid een deel van de uitzonderlijke bancaire winsten terughaalt via een tijdelijke heffing, verdwijnt dat geld immers niet uit het economische systeem. Het wordt niet vernietigd. Het wordt niet uit de circulatie gehaald. Het verhuist slechts van de balans van commerciële banken naar de staatskas. De werkelijke vraag is vervolgens wat de overheid met dat geld doet. Wanneer die middelen worden gebruikt voor politieke benoemingen, inefficiënte staatsbedrijven of nieuwe bestuurslagen, dan is kritiek volledig terecht. Maar wanneer diezelfde middelen worden ingezet om het onderwijs te versterken, de gezondheidszorg te verbeteren, de veiligheid te vergroten en de kwaliteit van de rechtspraak te verhogen, dan vloeit dat geld rechtstreeks terug naar de samenleving die de economische offers heeft gebracht om de stabiliteit mogelijk te maken. De redenering dat
iedere bankenbelasting automatisch zou leiden tot inflatie, koersinstabiliteit of economische ontwrichting is daarom veel te simplistisch. De economische effecten hangen af van de wijze waarop de middelen worden ingezet. Dat onderscheid lijkt opvallend vaak bewust te worden genegeerd.

Een begrotingscommissie die de grote vragen mist

Misschien nog zorgwekkender dan de beantwoording van de minister is het niveau waarop een belangrijk deel van de begrotingsdiscussie wordt gevoerd. Suriname staat aan de vooravond van de grootste economische transformatie sinds de onafhankelijkheid. Binnen enkele jaren zal olie en gas een centrale rol gaan spelen in de nationale economie. Juist daarom zou men verwachten dat de begrotingscommissie fundamentele vragen stelt over menselijk kapitaal, onderwijs, technologische ontwikkeling, institutionele versterking en de voorbereiding van de samenleving op de economie van de toekomst. In plaats daarvan lijkt een groot deel van de discussie zich te verliezen in technische details en administratieve

verschillen tussen documenten die niet eens op elkaar aansluiten. Het feit dat minister Wijnerman tijdens de behandeling moest erkennen dat er inconsistenties bestaan tussen de begroting, het financieel jaarplan en het staatsschuldenplan zou op zichzelf al alarmbellen moeten doen afgaan. Ze had moeten aftreden en de begrotingscommissieleden ook onbezoldigd moeten ontslaan omdat ze een lousy job hebben gedaan. Grove fouten!

Hoe kan een regering geloofwaardig spreken over financieel beheer wanneer haar belangrijkste financiële documenten elkaar op essentiële punten tegenspreken? Dat is geen detail. Dat is de kern van financieel bestuur. Wanneer de cijfers niet overeenkomen, ontstaat automatisch de vraag hoe betrouwbaar de onderliggende analyses zijn waarop beleid wordt gebaseerd. Dat de minister deze verschillen verklaart door te wijzen op verschillende momenten van opstelling maakt de zaak eerder zorgwekkender dan geruststellender. Het suggereert immers dat de overheid nog steeds worstelt met iets wat de absolute basis zou moeten

zijn van iedere begroting: één consistente financiële waarheid.

Onderwijs is belangrijker dan iedere OMO-discussie

Wat in de gehele begrotingsbehandeling vrijwel volledig ontbreekt, is een diepgaande discussie over het onderwijs. Dat is opmerkelijk, omdat juist daar de toekomst van Suriname wordt bepaald. Politici praten graag over olie, gas, investeringen en economische groei, maar vergeten dat geen enkele moderne economie succesvol kan functioneren zonder goed opgeleide mensen. De olie-industrie heeft ingenieurs nodig. De energiesector heeft technici nodig. De digitale economie heeft programmeurs nodig. De gezondheidszorg heeft gespecialiseerde professionals nodig. De overheid heeft deskundige beleidsmakers nodig.

Waar worden die mensen vandaag opgeleid? Hoeveel scholen beschikken over moderne digitale infrastructuur? Hoeveel leerlingen leren werken met kunstmatige intelligentie? Hoeveel leerkrachten krijgen training in nieuwe technologieën? Dat zijn de vragen die centraal zouden moeten staan in iedere begrotingsbehandeling. Niet de vraag hoeveel directeurs een staatsbedrijf krijgt of

hoeveel commissarissen er opnieuw benoemd kunnen worden. De tragische realiteit is dat Suriname dreigt binnen te stappen in het olie- en gastijdperk met een onderwijsstelsel dat nog steeds worstelt met problemen die tientallen jaren geleden al opgelost hadden moeten zijn. Wanneer die achterstand niet wordt ingehaald, zullen de grootste voordelen van de nieuwe economie terechtkomen bij buitenlandse specialisten en een kleine lokale elite, terwijl de meerderheid van de bevolking opnieuw langs de zijlijn blijft staan.

Zonder rechtszekerheid komt geen duurzame ontwikkeling

Naast onderwijs zijn er nog andere vitale sectoren die schreeuwen om investeringen. Veiligheid, rechtshandhaving en de kwaliteit van het rechtssysteem zijn essentieel voor iedere moderne economie. Buitenlandse investeerders kijken niet alleen naar belastingtarieven of natuurlijke hulpbronnen. Zij kijken naar rechtszekerheid, voorspelbaarheid van beleid, onafhankelijkheid van instituties en de snelheid waarmee conflicten worden opgelost. Wanneer Suriname werkelijk voorbereid wil zijn op de komst van

olie- en gasinkomsten, dan moeten deze fundamenten eerst worden versterkt. Dat vraagt investeringen. Niet morgen, maar vandaag. Juist daarom is het relevant om te kijken waar middelen beschikbaar zijn die kunnen worden ingezet voor de versterking van deze sectoren. Een land bouwt geen duurzame welvaart op door uitsluitend te praten over toekomstige inkomsten. Een land bouwt duurzame welvaart op door tijdig te investeren in de instellingen die ervoor zorgen dat die inkomsten later ook daadwerkelijk ten goede komen aan de samenleving.

De echte vraag die niemand durft te stellen

De vraag die uiteindelijk boven deze hele discussie hangt, is eenvoudig. Waarom lijkt de regering zoveel energie te steken in het beschermen van de uitzonderlijke winsten van de bancaire sector, terwijl tegelijkertijd wordt erkend dat er onvoldoende middelen zijn voor onderwijs, gezondheidszorg, veiligheid en institutionele versterking? Waarom wordt een tijdelijke solidariteitsheffing direct afgeschilderd als economisch

gevaarlijk, terwijl niemand bereid lijkt te onderzoeken hoeveel maatschappelijke vooruitgang ermee gefinancierd zou kunnen worden? Dat zijn DE vragen in een samenleving die probeert haar prioriteiten op orde te krijgen. En het zijn precies de vragen die de begrotingscommissie, de regering en de minister van Financiën zouden moeten beantwoorden voordat zij opnieuw aan de bevolking uitleggen waarom er voor zoveel essentiële sectoren geen geld beschikbaar is.

De rekening van vandaag bepaalt de toekomst van morgen

De ironie van de situatie is dat dezelfde regering die waarschuwt voor financiële risico’s tegelijkertijd erkent dat de staatsschuld nog altijd boven de wettelijke norm ligt, dat de begroting een aanzienlijk tekort vertoont en dat de uitvoeringscapaciteit van de overheid tekortschiet. Met andere woorden: de uitdagingen zijn groot, de middelen zijn schaars en de behoeften zijn enorm. Juist daarom is het onbegrijpelijk dat men niet bereid lijkt om serieus

te kijken naar sectoren waar de middelen daadwerkelijk aanwezig zijn. De discussie over de OMO’s gaat daarom niet over monetair beleid. Zij gaat over rechtvaardigheid. Zij gaat over de vraag wie profiteert van economische stabilisatie en wie daarvoor heeft betaald. Zij gaat over de vraag of de lasten en lusten eerlijk worden verdeeld. En bovenal gaat zij over de vraag of Suriname eindelijk bereid is te investeren in de sectoren die werkelijk bepalend zijn voor de toekomst van het land. Want zonder goed onderwijs, zonder sterke instituties, zonder rechtszekerheid en zonder een gezonde gezondheidszorg zullen ook de toekomstige olie-inkomsten uiteindelijk weinig meer zijn dan een nieuwe ronde van grote verwachtingen gevolgd door kleine resultaten. De echte keuze waar Suriname voor staat is daarom niet of OMO’s moeten blijven bestaan. De echte keuze is of de opbrengsten van economische stabiliteit uiteindelijk ten goede komen aan het volk of uitsluitend aan degenen
die al over de grootste financiële middelen beschikken. Dat is de discussie die gevoerd moet worden. Niet morgen, maar vandaag

Conclusie: Stabiliteit voor wie, vooruitgang voor wie?

De begrotingsbehandeling van 2026 legt een ongemakkelijke waarheid bloot die veel verder gaat dan de discussie over OMO-rentes, staatsschulden of begrotingstekorten. De kernvraag is namelijk niet hoeveel geld Suriname heeft, maar welke keuzes worden gemaakt met het geld dat beschikbaar is. Minister Wijnerman verdedigt een monetair beleid dat volgens haar heeft bijgedragen aan stabiliteit, terwijl tegelijkertijd miljoenen SRD’s aan rentevergoedingen richting de bancaire sector zijn gevloeid. Niemand betwist dat stabiliteit belangrijk is. Maar stabiliteit is geen doel op zichzelf. Stabiliteit moet uiteindelijk leiden tot betere scholen, betere gezondheidszorg, meer veiligheid, een sterker rechtssysteem en meer kansen voor gewone burgers.

Juist daar wringt de schoen. Terwijl banken profiteerden van historisch hoge rendementen, zitten scholen nog

steeds met verouderde lesmethoden, kampen ziekenhuizen met tekorten en worstelt de overheid met een gebrek aan deskundig kader. Tegelijkertijd erkent dezelfde regering dat de uitvoeringscapaciteit tekortschiet en dat de financiële ruimte beperkt is. Dat maakt het des te opmerkelijker dat er nauwelijks serieus wordt gekeken naar manieren om uitzonderlijke winsten in bepaalde sectoren tijdelijk te benutten voor nationale ontwikkeling.

Suriname staat bovendien op een historisch kruispunt. Olie- en gasinkomsten zullen niet automatisch leiden tot welvaart voor iedereen. Zonder massale investeringen in onderwijs, technologische ontwikkeling, kunstmatige intelligentie, veiligheid en rechtszekerheid dreigt het land opnieuw terecht te komen in een situatie waarin een kleine groep profiteert terwijl de meerderheid achterblijft. De echte rijkdom van Suriname zit niet onder de zeebodem, maar in de kennis, vaardigheden en kansen van zijn bevolking.

Daarom moet de discussie verschuiven van het beschermen van bestaande financiële belangen naar het bouwen van

nationale capaciteit. Want uiteindelijk zal de geschiedenis deze regering niet beoordelen op het aantal verdedigde beleidsinstrumenten of technische begrotingscorrecties. Zij zal worden beoordeeld op één simpele vraag: heeft men de middelen van vandaag gebruikt om de toekomst van het volk te versterken, of heeft men opnieuw gekozen voor het beschermen van een systeem waarin de rekening steeds bij dezelfde burger terechtkomt? Dat is de keuze die nu voorligt. En het antwoord daarop zal bepalen of de beloofde economische toekomst van Suriname werkelijkheid wordt of opnieuw een gemiste kans.

Dr. Ashwin Ramcharan RO

Disclaimer

De redactie van Chronos Times stelt ingezonden artikelen ter beschikking aan haar lezers om een diversiteit aan meningen en standpunten te bieden. De inhoud van dit artikel, inclusief alle geuite meningen en beweringen, valt volledig onder de verantwoordelijkheid van de auteur en weerspiegelt niet

noodzakelijk de mening of het standpunt van de redactie. De redactie is niet aansprakelijk voor de juistheid van de informatie of voor eventuele gevolgen die voortvloeien uit de inhoud van dit stuk.

Redactie Chronos

| chronostimes | Door: Redactie