
“OLIE IN SURINAME: LESSEN UIT LATIJNS-AMERIKA VOOR EEN DUURZAME TOEKOMST”
| united news | Door: Redactie
door Jef Crab, mondiaal humanist
Als mondiaal humanist en ethisch-ecoloog kon ik niet voorbijgaan aan een uitzonderlijk boeiende bijdrage van dr. Anwar Elawadi in DBS, getiteld: De Surinaamse droom – van individueel succes naar collectieve zorg.
In heldere en krachtige bewoordingen [i] schetst hij de uitdaging waarvoor wij als samenleving staan. Is dit een teken dat er binnen onze gemeenschap steeds meer stemmen opgaan om het Buen Vivir — dat al verankerd is in de grondwetten van sommige buurlanden — ook in Suriname ingang te doen vinden? Dat vereist echter een fundamenteel nieuw beleid. In dit artikel biedt United News mogelijke uitgangspunten voor
De recente olievondsten voor de kust van Suriname wekken hoop op economische bloei, maar roepen tegelijk fundamentele vragen op. Hoe voorkomen we dat Suriname dezelfde weg inslaat als vele Latijns-Amerikaanse landen, waar extractivisme leidde tot ecologische schade, sociale spanningen en economische kwetsbaarheid?
Deze risico’s zijn niet los te zien van de druk die wordt uitgeoefend door internationale economische machtsstructuren en monetaire instellingen. Onze kersverse presidente en haar regeerteam zullen zich geconfronteerd zien met deze obstakels. Het is een doolhof vol valkuilen.
Maar zijn er werkelijk goede
Want Latijns-Amerika betaalt nu nog steeds de prijs voor beleid gestoeld op extractivisme en post-extractivisme.
Latijns-Amerika is een continent van overvloed: goud, olie, lithium, hout, soja – de natuurlijke rijkdommen lijken onuitputtelijk. Maar achter deze overvloed schuilt een ontwikkelingsmodel dat steeds meer onder vuur ligt: extractivisme. Het hieruit voortvloeiende beleid volgt een economisch groeimodel, gebaseerd op grootschalige ontginning van natuurlijke hulpbronnen voor export. Het hieruit voortvloeiende beleid levert op korte termijn weliswaar inkomsten op, maar laat op lange termijn een spoor van grote ecologische en sociale schade na.
Zo wijst de Wereldbank op de ecologische tol van het model. In haar analyse van de Braziliaanse exportgroei [ii] wordt duidelijk dat economische expansie gepaard gaat met ontbossing, watervervuiling en verlies van biodiversiteit. Vooral in de beginfase van exportgroei zijn de milieuschade en sociale verstoringen het grootst.
De Economische Commissie voor Latijns-Amerika en het Caribisch gebied (ECLAC), een VN-orgaan, spreekt zelfs van een “ecologische tragedie”. In het rapport uit 2020 : De milieutragedie van Latijns-Amerika en het Caribisch gebied [iii] stelt de commissie dat het huidige ontwikkelingsmodel fundamenteel onhoudbaar is.
Hun conclusie is: “…dat de schade aan de biosfeer van de planeet steeds groter wordt, verergerd door klimaatverandering, in de context van een internationale economische orde die onevenwichtig, oneerlijk en niet-inclusief is…” Ze pleit voor een structurele transitie naar een economie die duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid centraal stelt.
En ook al voelen wij, in de straat, niet meteen dat er bossen verdwijnen of onze ecologische levensvoorwaarden onder druk komen te staan, wat we wel voelen is de financiële druk op het huishoudbudget. En ook dat vaart mee in het kielzog van het extractivisme.
Het is publiek geheim dat multinationals – in opdracht van hun steenrijke aandeelhouders – lobbyen binnen internationale organisaties. Op hun beurt beïnvloedt dat regeringen in het maken van beleid en he nemen van beslissingen. Het na te streven ontwikkelingsmodel – waarvoor zo druk wordt gelobbyd en zwaar wordt betaald – is extractivisme.
Zo fluisteren WereldBank en IMF onze regering in het oor hoe we de schuldenlast kunnen verlichten en economisch herstel bewerkstelligen. Het na te streven ontwikkelingsmodel is extractivisme. Daarvoor krijg je op dit ogenblik bijvoorbeeld een lening van bijna zevenhonderd miljoen US$ over drie jaren. Als beleidsmaker en hoofd van een regering denk je dan misschien : “ Dat zal alvast helpen deze regeerperiode door te komen.”
Helaas is de keerzijde de verplichte invoering van financiële maatregelen die vooral de zwaksten in de bevolking treffen. Hieronder alvast invoering van btw en afschaffing van subsidies op elektriciteit en brandstof en de liberalisatie van de wisselkoers. Allen maatregelen die de koopkracht op korte termijn onder druk zetten. En dat voelt Moesje in haar portemonnee…
Al in 2016 waarschuwde een rapport van Oxfam [iv] dat extractivisme de al extreme ongelijkheid in de regio vergrootte. Land en macht concentreren zich bij een kleine elite, terwijl inheemse volkeren en boerenbevolking worden gemarginaliseerd of zelfs verdreven. Het rapport documenteert talloze gevallen van intimidatie, geweld en zelfs moord op milieuactivisten.
“De ongelijkheid in landbezit is nergens ter wereld zo groot als in Latijns-Amerika,” stelt Oxfam. “Extractivisme versterkt deze kloof.”
De keerzijde van extractivisme is dus alvast zichtbaar in de ecologische schade en sociale spanningen. Mijnbouw en olie-exploitatie leiden tot ontbossing, watervervuiling en verlies van biodiversiteit. Inheemse gemeenschappen worden vaak zonder inspraak van hun land verdreven. Volgens DeWereldMorgen [v] zijn er honderden conflicten in Latijns-Amerika rond extractieve projecten: “Inheemse volken worden systematisch genegeerd in ontwikkelingsdoelen. Hun land wordt ingenomen voor mijnbouw, olie en monoculturen.”
Tegenover deze destructieve dynamiek staat immers een groeiende beweging van inheemse leiders, milieuactivisten en wakkere burgers die pleiten voor alternatieven. Zij wijzen op het belang van lokale zeggenschap, ecologische bescherming en eerlijke verdeling van baten.
De balans is duidelijk: extractivisme heeft Latijns-Amerika geen duurzame welvaart gebracht, maar eerder een erfenis van ongelijkheid, ecologische verwoesting en sociale conflicten. Dus niet verwonderlijk dat het verzet groeit. Denken we maar aan Pikin Saron…(zie foto onder)
Met de agenda extractivisme in het achterhoofd, wordt er wellicht meer duidelijk aan deze pijnlijke zaak.
Het wordt hoogdringende tijd voor een ander model – een dat de rijkdom van het continent niet uitput, maar beschermt en deelt.
Voor we de vraag stellen of onze nieuwe Presidente en haar team dit aandurven, is het goed een kijkje te nemen in de voorbije decennia bij onze buren. “After all…history repeats itself”, klinkt een bekend gezegde.
In de jaren 2000 kozen linkse regeringen in Bolivia, Ecuador en Venezuela voor een model van neo-extractivisme. De ontginning van olie, gas en mineralen werd niet stopgezet, maar gepresenteerd als een tijdelijke fase om sociale programma’s te financieren. Evo Morales sprak van “respect voor Moeder Aarde”, maar tegelijkertijd steeg de grondstoffenexport aanzienlijk. Walter Lotens, de bekende Latin-America Watcher die ook jarenlang in Suriname verbleef (met de bijnaam Iron Man in onze atletiek wereld), schreef in Uitpers [vi] dat het de bedoeling was dat dit model als overgang zou dienen naar een post-extractivistische samenleving, maar in de praktijk bleef het extractivisme dominant.
Dus niets veranderde, behalve het aangetaste milieu en de ondermijnde sociale structuren.
En hoewel deze aanpak op korte termijn sociale vooruitgang bracht, blijft het model kwetsbaar voor externe schokken zoals de daling van olieprijzen.
De afhankelijkheid van grondstoffen maakt nationale economieën immers zeer kwetsbaar. Toen de olieprijs in 2014 kelderde, stortten economieën zoals die van Venezuela en Ecuador in. Het Belgische MO*, een mondiaal magazine [vii] analyseerde hoe het Ecuadoraanse model onder Correa aanvankelijk sociale vooruitgang bracht, maar uiteindelijk faalde: “De inheemse beweging keerde zich tegen Correa’s beleid, dat steeds meer steunde op olie-inkomsten en buitenlandse investeringen.”
Die daling van grondstofprijzen sinds 2014 leidde trouwens tot een economische crisis in de hele regio. In Venezuela daalde het BBP met meer dan 30%, en ook Ecuador moest sociale uitgaven terugschroeven.
In Suriname bevinden we ons op hetzelfde kruispunt als onze buurlanden.
Met de verwachte productie uit Blok 58, waar TotalEnergies en APA Corporation actief zijn, staat Suriname mogelijk aan de vooravond van een olierijk tijdperk. Dat biedt zeker economische perspectieven, maar draagt ook grote risico’s in zich. De ervaring van buurland Guyana toont nu al dat olie-exploitatie niet automatisch leidt tot welzijn. In een ander artikel getiteld : Olie Guyana, de meeste dromen zijn bedrog [viii] rapporteert hetzelfde MO* dat vissers in Guyana hun vangsten zien dalen door olieboringen, en dat activisten rechtszaken aanspannen tegen de overheid wegens milieuschade.
Het begint overal wat te broeien, zo lijkt het wel…
In het begin van de 21e eeuw kozen verschillende linkse regeringen in Latijns-Amerika voor een opvallende strategie: het behoud van de bestaande extractieve economieën — gebaseerd op de grootschalige winning en export van natuurlijke rijkdommen — maar met een fundamenteel andere verdeling van de opbrengsten. Onder leiders als Evo Morales (Bolivia), Rafael Correa (Ecuador) en Hugo Chávez (Venezuela) ontstond een model dat bekendstaat als neo-extractivisme.
In plaats van de winsten uit mijnbouw, olie- en gasexport te laten vloeien naar multinationals of een kleine elite, werden ze ingezet voor sociale programma’s. Overheden investeerden in onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur en armoedebestrijding. Volgens kritische analyses, zoals die van het tijdschrift Uitpers, leidde dit beleid inderdaad tot een merkbare daling van de armoede en een toename van publieke voorzieningen.
Maar toch had ook deze vooruitgang een prijs.
Hoewel de intentie was om via herverdeling sociale rechtvaardigheid te bevorderen, bleef het economische fundament grotendeels onveranderd. De afhankelijkheid van grondstoffenexport werd zelfs versterkt.
:Zoals Walter Lotens het in 2020 scherp formuleerde [ix] : “Morales IV = extractivisme IV. De belofte van een overgang naar een post-extractivistische samenleving bleef grotendeels dode letter.”
Het neo-extractivistische model bleek kwetsbaar voor externe schokken, zoals de daling van olieprijzen of fluctuaties in de wereldmarkt voor mineralen. Wanneer de inkomsten uit export terugliepen, kwamen ook de sociale programma’s onder druk te staan. Bovendien leidde de intensieve exploitatie van natuurlijke hulpbronnen tot ecologische schade, conflicten met inheemse gemeenschappen en aantasting van biodiversiteit.
Wat begon als een poging tot emancipatie en herverdeling, mondde uit in een paradox: sociale vooruitgang werd gefinancierd met middelen die de ecologische en culturele fundamenten van diezelfde samenleving ondermijnden. De belofte van een post-extractivistische toekomst — waarin economie en ecologie in balans zijn — bleef grotendeels onvervuld.
De vraag dringt zich dan ook wereldwijd op: hoe kan een samenleving werkelijk duurzaam zijn als haar welvaart afhankelijk blijft van het uitputten van de aarde?
Gelukkig hoeven we het wiel niet opnieuw uit te vinden.
In een wereld die nog wordt gedomineerd door economische groei en individualisme, kozen Bolivia en Ecuador al voor een andere koers. Beide landen hebben het concept Buen Vivir opgenomen in hun grondwetten — een levensvisie die draait om welzijn, verbondenheid en respect voor de natuur. In Bolivia wordt het vertaald als vivir bien (Aymara: suma qamaña), in Ecuador als sumak kawsay (Quechua). Deze termen verwijzen naar een leven in volheid, in harmonie met anderen en met de aarde. Volgens Uitpers is het een wereldbeeld dat welzijn definieert als collectief en ecologisch [x], niet als individueel en consumptief.
Dat werd al in hun nieuwe grondwetten verankerd. Deze landen garanderen fundamentele rechten zoals:
Wat deze rechten bijzonder maakt, is dat ze niet alleen individueel zijn, maar ook collectief en ecologisch verankerd.
In Bolivia staat de kinaboom symbool voor een economie die het leven centraal stelt. Voormalig president Evo Morales zette dit beeld kracht bij door het kapitalistische model te contrasteren met een alternatief waarin voedselproductie, biodiversiteit en gemeenschapszin voorop staan.
David Choquehuanca, historicus, antropoloog, Aymara-leider en – vooral – Boliviaanse vicepresident vatte Buen Vivir samen in tien leidende principes [xi].
Daaronder vallen:
Deze principes vormen de basis voor een beleid dat verder kijkt dan louter economische groei.
In zijn publicatie Van roofbouw naar opbouw beschrijft intercultureel filosoof Wil Heeffer [xii] het concept Buen Vivir als een bevrijdingsfilosofie die breekt met de westerse logica van exploitatie [xiii]. en groei. Deze filosofie is niet slechts een lokale visie uit de Andes, maar een ethisch erfgoed van inheemse volkeren in de hele wereld. Ze roept op tot een samenleving die gebouwd is op gelijkheid, duurzaamheid, solidariteit en culturele diversiteit — waarden die haaks staan op het dominante neoliberale ontwikkelingsmodel.
Heeffer benadrukt dat Buen Vivir niet alleen een alternatief economisch model is, maar vooral een andere manier van zijn: een wereldbeeld waarin de mens niet boven, maar in relatie tot de natuur staat. Het is een oproep tot een fundamentele herziening van onze omgang met de aarde, met elkaar en met onszelf. In plaats van roofbouw en uitputting, pleit deze filosofie voor opbouw, herstel en verbondenheid.
In Suriname wisten we het ook allang. In juli 2002 reserveert The Washington Diplomat – het tijdschrift voor de diplomatieke wereld – zijn hele middenpagina voor een artikel genoemd Finding A Balance. Het is het pleidooi van Maurits Coppieters [xiv] voor de onmiddellijke implementatie van Eeuwige Lente, Leven met voldoende in een wereld van overvloed, gepubliceerd door het Surinaamse Stichting Ecosystem 2000. Het kwam tot stand door intens contact met inheemsen en in stamverband levenden gekoppeld aan moderne wetenschappelijk onderbouwde, ethisch-ecologische inzichten. Het was toen immers al decennialang duidelijk dat een ontwikkelingsmodel waarbij winstmaximalisatie voorop staat nefast is voor zowel het milieu als het sociale weefsel van een samenleving.
In reactie op de mogelijk cynische vraag van economen die vasthouden aan zogenaamd “pragmatisch denken” — of een terugkeer naar het stenen tijdperk wordt bepleit — is het belangrijk te benadrukken dat de oproep niet gericht is op teruggaan, maar op vooruit leren denken. De wereld staat voor grote uitdagingen, en zoals Albert Einstein ooit stelde: “Je kunt een probleem niet oplossen met dezelfde denkwijze die het heeft veroorzaakt.”
Wanneer het huidige groeimodel, dat financieel en economisch gestuurd is, aan de basis ligt van de ecologische en sociale problemen waarmee samenlevingen wereldwijd kampen, dan is het ongeschikt als fundament of instrument voor de noodzakelijke verandering. Wat nodig is, is een nieuw denkkader — een dat niet langer draait om winstmaximalisatie, maar om welzijn, duurzaamheid en verbondenheid.
Het is het vinden van het evenwicht – Finding A Balance – tussen welvaart en welzijn
Een mooi voorbeeld van Buen Vivir, is het leven van Elias Mamani Quisara [xv] , een 73-jarige veehoeder uit Oruro, Bolivia. Hij leeft met zijn vrouw van de opbrengst van vier koeien, maakt kaas en brood, en ruilt met buren. Zijn verhaal toont hoe Buen Vivir niet draait om consumptie, maar om verbondenheid, eenvoud en waardigheid: “Ik weet dat het leven beter kan, maar ik heb zeker niet te klagen. Ik ben al oud en heb een gelukkig leven gehad.”
Als de nieuwe regering in Suriname stappen in die richting kan zetten, zal het nageslacht ons zeker dankbaar zijn. Want ook bij ons is het Buen Vivir nog sterk geworteld in onze diverse culturele waarden. Om maar enkele te noemen:
En…laten we eerlijk zijn: we willen niet allen in het grootste huis wonen en met de grootste auto rondrijden, noch gouden kronen opzetten of koning zijn. Dat geldt slechts voor weinigen onder ons.
Wel wil elke Surinamer een gelukkig leven. Een zinvol leven zonder angst voor onze kinderen en hun kinderen. Het creëren van die samenleving waarin geborgenheid en rechtvaardige welvaartspreiding centraal staan DAT is de primaire taak van eenieder die een ambt heeft aanvaard. Dienaar zijn van het geluk van het volk.
Suriname staat vandaag op dat kruispunt: het kan kiezen om niet dezelfde fouten te herhalen die elders zijn gemaakt, maar het kan ook een eigen pad uit te stippelen — een pad dat economie, ecologie en gemeenschap niet tegenover elkaar plaatst, maar met elkaar verbindt.We moeten in gedachten houden dat extractivisme geen neutraal economisch model is. Het is een bewuste keuze, met diepgaande sociale en ecologische gevolgen. In veel landen heeft het geleid tot tijdelijke welvaart, maar ook tot langdurige afhankelijkheid, milieuschade en sociale spanningen.
Het concept Buen Vivir, geworteld in de levensfilosofie van inheemse volkeren uit de Andes en het Amazonegebied, biedt een inspirerend kompas. Het stelt welzijn boven winst, verbondenheid boven competitie, en respect voor de natuur boven uitputting. In een tijd waarin mondiale crises zich opstapelen, is deze eeuwenoude wijsheid actueler dan ooit.
Enkele aanbevelingen voor Surinaamse beleidsmakers kunnen zijn:
En, gelukkig genoeg, hoeven we het wiel dus niet opnieuw uit te vinden.
João Capiberibe [xvi] voerde als gouverneur van Amapá van 1995 tot 2002 een beleid dat sterk gericht was op sociale rechtvaardigheid, transparantie en ecologische verantwoordelijkheid. Hij stond bekend om zijn strijd tegen corruptie en zijn inzet voor participatieve democratie, waarbij burgers actief betrokken werden bij het bestuur.
Capiberibe verdedigde het duurzaam gebruik van natuurlijke rijkdommen, met aandacht voor het versterken van de lokale economie en het beschermen van het Amazonegebied. Zijn beleid werd beïnvloed door zijn nauwe betrokkenheid bij inheemse gemeenschappen en zijn ervaring met de sociale en ecologische uitdagingen van de regio.
In slechts vier jaren tijd evolueerde Amapá van een behoeftige staat in de Braziliaanse Federatie naar een exporterende. Zijn beleid is alvast een voorbeeld van hoe bestuur in het Amazonegebied sociaal en ecologisch verantwoord kan worden ingericht. Enkele concrete resultaten van zijn bestuur waren:
BRONNEN
[i] https://www.srnieuws.com/de-surinaamse-droom-van-individueel-succes-naa…
[ii] https://blogs.worldbank.org/en/developmenttalk/the-environmental-impact…
[iii] https://www.cepal.org/en/publications/46105-environmental-tragedy-latin…
[iv] https://www.oxfam.org/en/research/unearthed-land-power-and-inequality-l…
[v] https://www.dewereldmorgen.be/artikel/2015/11/09/nauwelijks-aandacht-vo…
[vi] https://www.uitpers.be/morales-iv-extractivisme-iv/
[vii] https://www.mo.be/analyse/de-opstand-van-de-inheemse-beweging-tegen-de-…
[viii] https://www.mo.be/reportage/olie-guyana-de-meeste-dromen-zijn-bedrog
[ix] https://www.uitpers.be/bolivia-tussen-buen-vivir-en-extractivisme/
[x] https://www.uitpers.be/de-dubbelzinnige-rol-van-david-choquehuanca/
[xi] https://www.dewereldmorgen.be/artikel/2022/09/16/manifest-buen-vivir-va…
[xii] Wil Heeffer is een Nederlandse interculturele filosoof. Hij studeerde filosofie in Tilburg, Amsterdam en Rotterdam, en werkte samen met internationale denkers zoals Jürgen Habermas, Richard Bernstein en Enrique Dussel. Zijn werk richt zich sterk op Latijns-Amerikaanse bevrijdingsfilosofie en interculturele dialoog, met bijzondere aandacht voor het concept Buen Vivir en de wijsheid van inheemse volkeren
[xiii] https://www.dewereldmorgen.be/artikel/2019/04/25/naar-een-filosofie-van…
[xiv] Maurits Coppieters (ⴕ 2004) was erevoorzitter van het Vlaams Parlement, voormalig lid van het Europees Parlement en voormalig voorzitter van het Belgisch Nationaal Centrum voor Ontwikkelingssamenwerking. In 2001 ontving hij de Marnixring Eremedaille, de hoogste onderscheiding voor personen die een uitzonderlijke bijdrage aan de samenleving hebben geleverd. Bij die gelegenheid uitte hij zijn bezorgdheid over de manier waarop jonge politici hun carrière vormgaven – meer als beroep dan als roeping.
[xv] https://www.mo.be/extra/hoe-het-leven-mooi-bolivia
[xvi] https://pt.wikipedia.org/wiki/Jo%C3%A3o_Capiberibe
UNITEDNEWS
| united news | Door: Redactie