• zondag 30 August 2026
  • Het laatste nieuws uit Suriname
Olie-economie Guyana in nieuwe fase; groei 19,3 % en groter deel productie naar staat

Olie-economie Guyana in nieuwe fase; groei 19,3 % en groter deel productie naar staat

| starnieuws | Door: Redactie

De Guyanese economie is in 2025 met 19,3 procent gegroeid, maar achter dat indrukwekkende cijfer voltrekt zich een ontwikkeling die mogelijk nog belangrijker is. Ook de niet oliesector groeit met dubbele cijfers, terwijl Guyana door het sneller terugverdienen van de miljardeninvesteringen in de offshorevelden inmiddels een veel groter deel van iedere geproduceerde hoeveelheid olie ontvangt. Voor Suriname, dat zich voorbereidt op de eerste offshoreproductie, biedt de ontwikkeling een bijna rechtstreeks inkijkje in de kansen én risico's die een olie-economie met zich meebrengt.
/>
Volgens de nieuwste Caribbean Economics Quarterly van de Inter-American Development Bank (IDB) groeide het bruto binnenlands product van Guyana vorig jaar met 19,3 procent. Dat volgde op de uitzonderlijke economische expansie van 43,8 procent in 2024. Daarmee behoort Guyana nog altijd tot de snelst groeiende economieën ter wereld.

Belangrijker is echter dat de groei zich niet meer uitsluitend in de petroleumsector afspeelt. Volgens de IDB versnelde de groei van de niet olie-economie in 2025 tot ongeveer 15 procent. De Guyanese begrotingscijfers komen iets lager uit, op 14,3 procent, maar bevestigen dezelfde trend: landbouw, mijnbouw, bouw en dienstverlening groeien stevig mee. Dat is voor een olieproducerend land een belangrijk signaal. Een van de grote risico's van plotselinge olie-inkomsten is immers dat andere economische sectoren achterblijven of zelfs worden verdrongen. De productie van olie is gestegen van drie miljoen naar maximaal twaalf miljoen vaten per maand




Tegelijkertijd
bereikt Guyana een nieuwe en financieel zeer belangrijke fase van de ontwikkeling van het Stabroek Block. Toen de olieproductie begon, mocht een groot deel van de geproduceerde olie worden gebruikt om de miljarden dollars terug te verdienen die ExxonMobil en zijn partners hadden geïnvesteerd in exploratie, productieplatforms, pijpleidingen en andere infrastructuur. Volgens de Guyanese regering is inmiddels ongeveer US$55 miljard aan ontwikkelingskosten terugverdiend, ongeveer twee jaar eerder dan aanvankelijk verwacht.

Dat verandert de verdeling van de geproduceerde olie aanzienlijk. Aanvankelijk kon tot 75 van iedere 100 geproduceerde vaten worden gebruikt voor kostenherstel. Van de resterende 25 vaten kreeg Guyana de helft als profit oil: 12,5 vaten. Nu wordt volgens de regering nog ongeveer 20 van iedere 100 vaten gebruikt voor kostenherstel. Daardoor blijven ongeveer 80 vaten over als profit oil. Guyana krijgt daarvan de helft en komt zo uit op ongeveer 39,8 van iedere 100 geproduceerde vaten.

De
Guyanese overheid benadrukt dat de productieovereenkomst zelf niet is veranderd. Guyana's aandeel in de profit oil is altijd 50 procent gebleven. Wat veranderd is, is de hoeveelheid olie die overblijft nadat de kosten zijn terugverdiend. Het resultaat is spectaculair. De maandelijkse hoeveelheid ruwe olie waarop Guyana recht heeft, is volgens recente cijfers gestegen van ongeveer drie miljoen naar tussen de tien en twaalf miljoen vaten. Daar bovenop ontvangt de staat een royalty van 2 procent. Alleen al in de eerste zes maanden van dit jaar leverde die royalty volgens het ministerie van Natural Resources ongeveer US$306 miljoen op.

De omvang van de inkomsten is ook terug te zien in het Natural Resource Fund (NRF), het Guyanese staatsfonds waarin de petroleuminkomsten worden gestort. Eind mei bedroeg het saldo van het fonds net geen US$4 miljard. In 2025 alleen ontving het fonds ongeveer US$2,1 miljard uit profit oil en ruim US$330
miljoen aan royalty's. Daarnaast werd een signing bonus van US$15 miljoen ontvangen uit een nieuwe productieovereenkomst.

De groeiende geldstroom maakt tegelijkertijd de discussie over toezicht en besteding urgenter. Oppositieleider Aubrey Norton heeft dit weekend opgeroepen tot strengere controle op het Natural Resource Fund. Volgens hem moet met het toenemen van de olie-inkomsten ook het maatschappelijk en institutioneel toezicht worden versterkt. Daarmee verschuift de discussie in Guyana langzaam van de vraag hoeveel olie het land heeft naar een veel moeilijkere kwestie: wat doet een land met zoveel geld?

Juist daarom is de sterke groei buiten de olie-industrie belangrijk. De Guyanese landbouw-, bosbouw- en visserijsector groeide volgens de begrotingscijfers in 2025 met 11,5 procent. De rijstproductie nam toe en ook de bouw- en dienstensector profiteren van de enorme investeringen die in het land plaatsvinden. Dat betekent nog niet dat Guyana het gevaar van een te grote afhankelijkheid van petroleum heeft
overwonnen. De IDB waarschuwt juist voor het risico van de zogenoemde Dutch disease. Grote hoeveelheden buitenlandse valuta uit olie kunnen lonen, prijzen en de reële wisselkoers opdrijven, waardoor landbouw, industrie en andere exportsectoren moeilijker kunnen concurreren. Guyana blijft bovendien, opmerkelijk genoeg voor een van de snelst groeiende olieproducenten ter wereld, voor een groot deel van zijn binnenlandse energievoorziening afhankelijk van geïmporteerde petroleumproducten. Schommelingen van de internationale olieprijs kunnen het land daardoor tegelijkertijd bevoordelen als producent en treffen als consument.

Voor Suriname zijn de ontwikkelingen aan de andere kant van de Corantijn meer dan interessant regionaal economisch nieuws. Guyana begon pas in december 2019 met commerciële offshoreproductie. Minder dan zeven jaar later produceert het Stabroek Block rond 900.000 vaten per dag en is een economie die vroeger voornamelijk steunde op goud, rijst, suiker en bauxiet fundamenteel veranderd.


Suriname staat aan het begin van een vergelijkbaar, maar veel kleiner traject.
TotalEnergies en APA hebben in oktober 2024 de definitieve investeringsbeslissing genomen voor het GranMorgu-project in Block 58. De eerste olie wordt rond 2028 verwacht. Daarmee krijgt Suriname straks eveneens te maken met grote investeringen, kostenherstel, staatsinkomsten en uiteindelijk de vraag hoeveel van de petroleumrijkdom daadwerkelijk in de rest van de economie terechtkomt. Daarin is Guyana voor Suriname bijna een economisch laboratorium.

De eerste les is dat het tijd kost voordat een olieproducerend land maximaal profiteert. In de beginfase gaan grote bedragen naar het terugverdienen van de investeringen die nodig waren om de olie überhaupt uit de zeebodem te halen. Naarmate die kosten worden terugverdiend, kan het aandeel dat naar het producerende land stroomt sterk toenemen.

Maar er is een tweede, belangrijkere les. De werkelijke maatstaf voor het succes van een olie-economie is uiteindelijk niet hoeveel vaten per dag uit de zeebodem worden gehaald. Het is wat er met
de rest van de economie gebeurt. Als landbouw, industrie, toerisme, dienstverlening en lokale ondernemingen verzwakken terwijl de petroleumsector groeit, kan een land op papier spectaculair rijker worden zonder een werkelijk bredere economie op te bouwen. Juist daarom is de groei van de niet oliesector in Guyana misschien belangrijker dan de 19,3 procent waarmee de totale economie vorig jaar groeide.

De IDB blijft ondanks de spectaculaire prestaties waarschuwen voor risico's. De internationale olieprijs is volatiel, de overheidsuitgaven nemen sterk toe en een te snelle instroom van oliedollars kan inflatie en andere onevenwichtigheden veroorzaken. Dat zijn waarschuwingen die Suriname nu al ter harte kan nemen. Suriname hoeft namelijk niet te wachten tot 2028 om oliebeleid te voeren. Besluiten over het spaarfonds, begrotingsdiscipline, local content, onderwijs, infrastructuur, institutionele capaciteit en de ontwikkeling van niet oliesectoren moeten juist vóór de eerste olie worden genomen.

Guyana had het voordeel van een ongekend grote
hoeveelheid offshoreolie, maar moest tegelijkertijd veel institutionele systemen ontwikkelen terwijl de miljarden al begonnen binnen te stromen. Suriname heeft een ander voordeel: het kan enkele jaren vooruitkijken naar zijn buurman en zien wat werkt, waar de spanningen ontstaan en welke fouten voorkomen kunnen worden.

Guyana's economische groei van 19,3 procent is daarom indrukwekkend. Maar voor Suriname is een ander cijfer misschien belangrijker: de groei van ongeveer 15 procent buiten de olie-industrie. Want wanneer vanaf 2028 de eerste Surinaamse olie wordt geproduceerd, zal de belangrijkste vraag uiteindelijk niet zijn hoeveel olie GranMorgu naar boven haalt. De belangrijkste vraag wordt hoeveel van die olierijkdom erin slaagt de rest van Suriname mee omhoog te trekken.

| starnieuws | Door: Redactie