
De beloningsstructuur binnen de Rechterlijke Macht! (slot)
| starnieuws | Door: Redactie
Vanaf de inwerkingtreding van de Grondwet van 1975 en in de vigerende Grondwet is in artikel 141 lid 3 opgenomen dat “de wet de overige vereisten van benoembaarheid, alsmede de geldelijke voorzieningen
Deze bepaling in de Grondwet werd niet vastgelegd voor de leden van de rechterlijke macht, zoals bij de politieke ambtsdragers vanaf het begin in een wet in formele zin.
Middels een wet in materiële zin, namelijk een staatsbesluit, werden de leden van de rechterlijke macht bezoldigd.
Strijdigheid met de Grondwet
Omdat artikel 141 lid 1 als volgt luidt: “Om als lid van de Rechterlijke Macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij het Hof van Justitie benoemd te kunnen worden, moet men de leeftijd van dertig jaren hebben bereikt
Met andere woorden: het regelen bij wet van de financiële rechtspositie van de leden van de rechterlijke macht geldt alleen voor de zittende magistratuur en de procureur-generaal. In de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht van 29 november 2024 (S.B. 2024 no. 158), houdende vaststelling van de rechtspositie voor de leden van de rechterlijke macht, is hiervan afgeweken.
Deze handeling is niet in overeenstemming met de Grondwet en derhalve in strijd met artikel 141 lid 3 van de Grondwet. Alleen al om deze reden kan de wet niet gehandhaafd worden, temeer daar het de rechterlijke macht betreft, de bewaker van het recht. Bovendien zijn de indieners zich ervan bewust, nu op pagina 23, gerelateerd aan artikel 29, het volgende wordt gesteld:
“Het ontbreken van de vooruitzichten op een onbezorgd leven, ook na pensionering, zoals is vastgesteld in artikel 141 lid 3 van onze Grondwet. In dit artikel is bepaald dat voor de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal en hun nabestaanden, bij wet geldelijke voorzieningen getroffen moeten worden. Zulks is niet expliciet voorgeschreven ten aanzien van de overige leden van het Openbaar Ministerie.”
“Nu voor de overige leden van het Openbaar Ministerie de salarissen tot op heden tegelijkertijd en op grond van dezelfde overwegingen bij staatsbesluit zijn aangepast, is het gerechtvaardigd ook de op hen betrekking hebbende voorzieningen in deze wet te regelen.”
De Nationale Assemblee is in het onderhavige geval onbevoegd geweest om dit zo in de wet te regelen.
Zulks had bij grondwetswijziging moeten plaatsvinden en dan met ten minste 34 stemmen en niet 28. Bovendien zou de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht moeten luiden: “Wet geldelijke voorzieningen t.b.v. de leden en gewezen leden van de Rechterlijke Macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal (artikel 141 lid 3).”
Synchronisatie met de overige drie wetten
Het, in strijd met de Grondwet uitgevaardigde, presidentiële besluit P.B. no. 21/25 van 5 juli 2025 betreffende bijzondere volmacht aan de procureur-generaal met betrekking tot personeelsaangelegenheden is onderdeel van de conspiratie tot het tot stand brengen van de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht. Dit mandaat tot verzelfstandiging kan niet, vooruitlopend op de goedkeuring van de wet in formele zin, worden verleend.
Daar komt nog bij dat bij resolutie van 5 juli 2025 (S.B. 2025 no. 104) aan de president van het Hof ook bijzondere volmacht wordt verleend tot vaststelling van de nieuwe bezoldigingsreeks van leden van de Rechterlijke Macht (zittende magistratuur). Onbegrijpelijk wat er allemaal staatsrechtelijk gebeurt.
Aan al de betweters en huichelaars die door onwetendheid een aanval op mij hebben geopend in het kader van de bespreking van deze onrechtvaardige, onrechtmatige en ontoelaatbare wet, wil ik zeggen: ik had maar één reden om deze schaamteloze vertoning aan de kaak te stellen, namelijk de integriteit van het landsbestuur.
Bovendien heb ik vóór de goedkeuring op 7 mei 2024 desgevraagd aan de toenmalige commissie van rapporteurs, en wel aan de voorzitter mevrouw Cheryl Dijksteel, tijdens de deliberaties van de vier wetten gewezen op de gevaren van in het bijzonder de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht.
Daarna heb ik een artikel hieromtrent gepubliceerd, met een artikelsgewijze bespreking van de ontoelaatbare handelingen, alsook een open brief gericht aan de voorzitter van DNA. Het was geen onvolkomenheid maar een bewuste keuze.
Tot zover mijn bijdrage. Het zal mij een worst wezen als de procureur-generaal tot Sint-Juttemis blijft zitten waar zij nu zit. Mij gaat zij niet kunnen opsluiten. Aan mijn integriteit komt niemand.
ten behoeve van hen en hun nabestaanden” regelt.
Deze bepaling in de Grondwet werd niet vastgelegd voor de leden van de rechterlijke macht, zoals bij de politieke ambtsdragers vanaf het begin in een wet in formele zin.
Middels een wet in materiële zin, namelijk een staatsbesluit, werden de leden van de rechterlijke macht bezoldigd.
Strijdigheid met de Grondwet
Omdat artikel 141 lid 1 als volgt luidt: “Om als lid van de Rechterlijke Macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij het Hof van Justitie benoemd te kunnen worden, moet men de leeftijd van dertig jaren hebben bereikt
en in het bezit zijn van de Surinaamse nationaliteit en woonplaats en hoofd- of werkelijk verblijf in Suriname hebben.” Vandaar dat deze organieke wet ingevolge artikel 141 lid 3 uitsluitend kan gelden voor de in lid 1 genoemde functionarissen.
Met andere woorden: het regelen bij wet van de financiële rechtspositie van de leden van de rechterlijke macht geldt alleen voor de zittende magistratuur en de procureur-generaal. In de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht van 29 november 2024 (S.B. 2024 no. 158), houdende vaststelling van de rechtspositie voor de leden van de rechterlijke macht, is hiervan afgeweken.
Deze handeling is niet in overeenstemming met de Grondwet en derhalve in strijd met artikel 141 lid 3 van de Grondwet. Alleen al om deze reden kan de wet niet gehandhaafd worden, temeer daar het de rechterlijke macht betreft, de bewaker van het recht. Bovendien zijn de indieners zich ervan bewust, nu op pagina 23, gerelateerd aan artikel 29, het volgende wordt gesteld:
“Het ontbreken van de vooruitzichten op een onbezorgd leven, ook na pensionering, zoals is vastgesteld in artikel 141 lid 3 van onze Grondwet. In dit artikel is bepaald dat voor de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal en hun nabestaanden, bij wet geldelijke voorzieningen getroffen moeten worden. Zulks is niet expliciet voorgeschreven ten aanzien van de overige leden van het Openbaar Ministerie.”
“Nu voor de overige leden van het Openbaar Ministerie de salarissen tot op heden tegelijkertijd en op grond van dezelfde overwegingen bij staatsbesluit zijn aangepast, is het gerechtvaardigd ook de op hen betrekking hebbende voorzieningen in deze wet te regelen.”
De Nationale Assemblee is in het onderhavige geval onbevoegd geweest om dit zo in de wet te regelen.
Zulks had bij grondwetswijziging moeten plaatsvinden en dan met ten minste 34 stemmen en niet 28. Bovendien zou de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht moeten luiden: “Wet geldelijke voorzieningen t.b.v. de leden en gewezen leden van de Rechterlijke Macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal (artikel 141 lid 3).”
Synchronisatie met de overige drie wetten
Het, in strijd met de Grondwet uitgevaardigde, presidentiële besluit P.B. no. 21/25 van 5 juli 2025 betreffende bijzondere volmacht aan de procureur-generaal met betrekking tot personeelsaangelegenheden is onderdeel van de conspiratie tot het tot stand brengen van de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht. Dit mandaat tot verzelfstandiging kan niet, vooruitlopend op de goedkeuring van de wet in formele zin, worden verleend.
Daar komt nog bij dat bij resolutie van 5 juli 2025 (S.B. 2025 no. 104) aan de president van het Hof ook bijzondere volmacht wordt verleend tot vaststelling van de nieuwe bezoldigingsreeks van leden van de Rechterlijke Macht (zittende magistratuur). Onbegrijpelijk wat er allemaal staatsrechtelijk gebeurt.
Aan al de betweters en huichelaars die door onwetendheid een aanval op mij hebben geopend in het kader van de bespreking van deze onrechtvaardige, onrechtmatige en ontoelaatbare wet, wil ik zeggen: ik had maar één reden om deze schaamteloze vertoning aan de kaak te stellen, namelijk de integriteit van het landsbestuur.
Bovendien heb ik vóór de goedkeuring op 7 mei 2024 desgevraagd aan de toenmalige commissie van rapporteurs, en wel aan de voorzitter mevrouw Cheryl Dijksteel, tijdens de deliberaties van de vier wetten gewezen op de gevaren van in het bijzonder de Wet Rechtspositie Rechterlijke Macht.
Daarna heb ik een artikel hieromtrent gepubliceerd, met een artikelsgewijze bespreking van de ontoelaatbare handelingen, alsook een open brief gericht aan de voorzitter van DNA. Het was geen onvolkomenheid maar een bewuste keuze.
Tot zover mijn bijdrage. Het zal mij een worst wezen als de procureur-generaal tot Sint-Juttemis blijft zitten waar zij nu zit. Mij gaat zij niet kunnen opsluiten. Aan mijn integriteit komt niemand.
Eugène van der San
Zie ook: De beloningsstructuur binnen het Openbaar Bestuur (1)
| starnieuws | Door: Redactie




































