• vrijdag 10 July 2026
  • Het laatste nieuws uit Suriname
Column: Welk geheim mocht de samenleving niet weten?

Column: Welk geheim mocht de samenleving niet weten?

| starnieuws | Door: Redactie

Deze vraag dringt zich onvermijdelijk op nadat de Nationale Assemblee ervoor koos maatschappelijke vraagstukken in het geheim te bespreken. De verdwijning van honderden kilo's kwik, gestolen goud uit een staatsbedrijf en de vissterfte in Saramacca hebben niets te maken met de staatsveiligheid, maar wel met het vertrouwen van burgers in de politie, justitie en de regering. Het gaat om pure roof en criminele handelingen. In een gezonde rechtsstaat zou elke 'normale' burger, terecht, meteen en publiekelijk worden berecht door de justitie. Maar
wie beschermt de burger wanneer het 'mogelijk' het niet om 'normale' burgers gaat en zeker niet om de staatsveiligheid. Hier blijkt weer eens dat geen openbaarheid maar de geheimhouding zelf het grootste risico voor de democratie lijkt te worden.

Het instrument van een comité-generaal is bedoeld voor uitzonderlijke situaties. Wanneer de staatsveiligheid in het geding is, wanneer militaire, diplomatieke of andere zwaarwegende veiligheidsbelangen spelen, kan besloten beraad noodzakelijk zijn. Maar de onderwerpen waarover donderdag een comité generaal is gehouden, hebben juist te maken met een groot maatschappelijk belang en hadden daarom in het openbaar besproken moeten worden. 

Tijdens de discussie vooraf klonk vanuit verschillende parlementariërs het voorstel om eerst een comité-generaal te houden en tijdens de vergadering te beslissen, dat indien het niet om de staatsveiligheid gaat, de kwesties in en openbare vergadering te bespreken. Dat klonk redelijk, maar in werkelijkheid werd de samenleving daarmee een worst voorgehouden.
Want wanneer vooraf al duidelijk is dat de besproken onderwerpen niets met staatsveiligheid te maken hebben, waarom zou dan eerst een geheime vergadering nodig zijn?

Opvallend is de opstelling van NDP-parlementariër Ebu Jones. Hij stelde vanaf het begin dat voor deze onderwerpen helemaal geen comité-generaal nodig was. Hij wilde, ondanks anders denken van grote delen van zijn fractie, opgetekend hebben dat hij geen voorstander is van een comité generaal. Niet omdat hij tegen besloten vergaderingen is, maar omdat hij van oordeel was dat deze kwesties rechtstreeks het nationale belang van de burger aantasten. Toen volgens hem tijdens de vergadering bleek dat geen informatie werd gedeeld die de staatsveiligheid kon schaden, besloot hij de comité-generaal te verlaten. Daarmee bleef hij trouw aan het standpunt dat hij vooraf al had ingenomen. Zijn optreden gaat uiteindelijk niet over partijpolitiek. Het gaat over een principe. En principes zijn juist waardevol wanneer zij consequent
worden toegepast.

Voor de verdwijning van het kwik en andere mogelijke strafbare feiten loopt een onderzoek onder verantwoordelijkheid van de procureur-generaal. Dat onderzoek valt buiten de politieke verantwoordelijkheid van de minister van Justitie en Politie. De minister kan en mag zich niet uitlaten over de inhoud van lopende strafrechtelijke onderzoeken, ook niet tegenover parlementariërs. Waarover heeft de minister dan in beslotenheid gesproken en voor wie is de informatie bestemd? wat gaat de individuele volksvertegenwoordiger ermee doen? 

De minister van Justitie en Politie zou slechts beleidsmatige informatie kunnen geven over aanpak van grootschalige diefstal, het toepassen van de Anti-corruptiewet, hoe met deze kwesties het vertrouwen in instituten en met name de politie is geschonden en hoe dat vanuit het beleid te herstellen. Welk beleidsaspect was dan zó gevoelig dat de samenleving daarvan geen kennis mocht nemen? Waarom moest beleid, waarvoor een minister politiek verantwoordelijk is, achter gesloten deuren worden
besproken?

Die vragen zijn na het comité-generaal eerder groter dan kleiner geworden. En het is precies deze houding en het gedrag van de overheid die zorgt voor speculaties op sociale media, voor fake berichten, waarvan gezegd kan worden dat waar er rook is, er ook vuur is. want al snel ontstaat de indruk dat beschermend wordt opgetreden naar betrokken personen die invloedrijke politiek gewicht bezitten. 

Het  lastige is dat dit alles gebeurt in een periode waarin Suriname juist spreekt over transparantie, goed bestuur en wetgeving rond openbaarheid van bestuur. Jarenlang hebben maatschappelijke organisaties, journalisten, juristen en andere deskundigen gepleit voor een Wet Openbaarheid van Bestuur, of moderner geformuleerd, een Wet Openbaarheid van Bestuursinformatie.

Overheidsinformatie behoort de samenleving toe, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om die tijdelijk geheim te houden. Wat deze week gebeurde, laat precies het tegenovergestelde zien. Niet openbaarheid was het uitgangspunt. Geheimhouding was het vertrekpunt
en pas daarna zou eventueel worden bekeken wat de samenleving mocht weten. Dat is niet alleen een verkeerde volgorde. Het is een manier van besturen die we juist achter ons dachten te laten.

Na alle gesprekken over transparantie, na alle beloften over open bestuur en na alle inspanningen van maatschappelijke organisaties lijkt één
conclusie onvermijdelijk. Er verandert weinig. Sterker nog, het oude systeem lijkt niet af te brokkelen, maar zich juist steviger te verankeren.

En dat is misschien wel de grootste teleurstelling van dit hele comité-generaal. Niet wat er achter gesloten deuren is gezegd. Maar dat opnieuw de indruk is gewekt dat openbaarheid een gunst van de overheid is, terwijl zij in een democratische rechtsstaat gewoon een recht van de burger behoort te zijn.


Wilfred Leeuwin 

| starnieuws | Door: Redactie