
VAN RUWE OLIE NAAR NATIONALE WELVAART DEEL 5 | DE GROOTSTE DENKFOUT IN HET RAFFINADERIJDEBAT
| united news | Door: Redactie
Auteur: Marcel P.T. Chin-A-Lien | Petroleum & Energie Adviseur – Founding Partner & Chief Architect, Golden Lane Investments Advisory Group (GLIAG)
Na vier delen zijn we aangekomen bij de kern van het debat. Vrijwel iedere kritiek op een nieuwe Surinaamse raffinaderij komt uiteindelijk neer op één centraal argument: de wereldwijde raffinagemarges zijn te laag. Dat klinkt overtuigend en wordt ondersteund door harde cijfers over Europa, Azië en Noord-Amerika. Critici verwijzen naar sluitingen van raffinaderijen, overcapaciteit op de wereldmarkt en afnemende winstmarges. Op het eerste gezicht lijkt dat voldoende bewijs om te concluderen dat een nieuwe raffinaderij in Suriname economisch onverstandig zou zijn.
Maar precies daar gaat de redenering volgens mij mis. Niet omdat de cijfers onjuist zijn—integendeel, die cijfers kloppen. De conclusie die eraan wordt verbonden, is dat echter niet.
In de economie is de keuze van de juiste benchmark vaak belangrijker dan de berekening zelf. Een vliegtuig wordt niet beoordeeld op dezelfde
Rotterdam verkoopt aan de wereld. Suriname levert aan zichzelf.
Een raffinaderij in Rotterdam concurreert dagelijks met tientallen andere spelers. Zij koopt haar ruwe olie op de wereldmarkt, betaalt internationale vrachttarieven, verwerkt verschillende soorten olie en probeert haar producten met winst af te zetten op internationale markten. De winst wordt daar grotendeels bepaald door de internationale crack spread.
De voorgestelde Surinaamse
Dit is misschien wel het belangrijkste begrip uit de hele discussie. Waar internationale raffinaderijen rekenen met commerciële raffinagemarges, rekent een importsubstituerende raffinaderij met importpariteit. Dit betekent dat de waarde van een in Suriname geproduceerde liter diesel wordt bepaald door de prijs die het land anders zou moeten betalen om diezelfde liter te importeren. Daarin zitten niet alleen de productiekosten, maar ook vracht, verzekeringen, opslag, handelsmarges, logistieke risico’s en
Wat is deze raffinaderij eigenlijk? Is het een commerciële onderneming of een strategische nationale infrastructuur? Volgens mij lijkt het project economisch eerder op een elektriciteitscentrale, een drinkwaterbedrijf of een nationale haven dan op een klassieke exportraffinaderij. Niemand vraagt of een waterleidingbedrijf maximale internationale winsten behaalt, en niemand beoordeelt een elektriciteitscentrale uitsluitend op basis van de stroomprijs in een ander continent. Die voorzieningen bestaan omdat ze economische zekerheid creëren.
Precies dat doet deze raffinaderij ook: zij zorgt ervoor dat brandstoffen beschikbaar blijven, versterkt de handelsbalans, vermindert de afhankelijkheid van buitenlandse leveranciers en vormt de basis voor verdere industrialisatie. Dat zijn maatschappelijke opbrengsten die veel verder reiken dan de jaarwinst van één onderneming.
Wanneer Suriname uitsluitend ruwe olie exporteert, verkoopt het slechts één enkele schakel
De voorgestelde raffinaderij probeert juist een deel van die waardeketen naar Suriname te halen. Dat betekent dat hetzelfde vat olie meerdere keren economische waarde creëert: eerst als ruwe olie, daarna als brandstof, vervolgens als industriële grondstof, en uiteindelijk via belastingen, werkgelegenheid, kennisontwikkeling en nieuwe bedrijvigheid. Daarin ligt de grootste economische betekenis van dit project.
In discussies over olie wordt vaak gesproken over prijzen, marges en rendementen. Dat zijn belangrijke onderwerpen, maar uiteindelijk draait het debat om iets veel fundamentelers: welke economie wil Suriname zijn? Een economie die haar grondstoffen onbewerkt uitvoert en haar afgewerkte producten duur terugkoopt? Of een economie die stap voor stap een groter deel van de waardeketen zelf ontwikkelt?
Die vraag gaat niet alleen over een raffinaderij; ze gaat over de manier waarop Suriname zijn
Landen die rijk werden door natuurlijke hulpbronnen, deden dat zelden door uitsluitend grondstoffen te exporteren. Hun succes ontstond doordat zij de opbrengsten gebruikten om nieuwe economische sectoren op te bouwen. Noorwegen investeerde in technologie, maritieme dienstverlening en een staatsinvesteringsfonds. De Verenigde Arabische Emiraten bouwden logistieke knooppunten, luchtvaart, industrie en financiële dienstverlening. En dichter bij huis ontwikkelde Trinidad en Tobago een sterke petrochemische sector op basis van aardgas. Elk land koos zijn eigen weg, maar de onderliggende les was dezelfde: natuurlijke hulpbronnen vormen geen einddoel, ze vormen een startpunt.
Ik beweer niet dat een nieuwe raffinaderij zonder risico is; geen enkel project van deze omvang is dat. Ik beweer evenmin dat iedere berekening onveranderlijk vaststaat. Markten veranderen, technologie ontwikkelt zich en geopolitieke omstandigheden
Suriname staat aan de vooravond van een historisch economisch tijdperk. De offshore-ontdekkingen bieden een kans die zich waarschijnlijk slechts één keer in een generatie aandient. De vraag is daarom niet alleen of Suriname olie zal produceren, maar vooral wat we besluiten met die olie te doen. Blijven wij voornamelijk een exporteur van ruwe grondstoffen, of kiezen wij ervoor een groter deel van de waarde, de werkgelegenheid, de kennis en de industriële ontwikkeling in eigen land
Dat is uiteindelijk de werkelijke keuze. Niet tussen vóór of tegen een raffinaderij, maar tussen twee fundamenteel verschillende visies op de economische toekomst van Suriname.
Opinie
| united news | Door: Redactie




































