• maandag 01 June 2026
  • Het laatste nieuws uit Suriname
Uitstel Comptabiliteitswet legt dieper bestuurlijk probleem bloot

Uitstel Comptabiliteitswet legt dieper bestuurlijk probleem bloot

| starnieuws | Door: Redactie

Wanneer de overheid haar financiële boeken opent, kijken we vaak in een achteruitkijkspiegel. We zien begrotingstekorten die uit de hand zijn gelopen en beleidsvoornemens die stranden in goede bedoelingen. Terwijl de samenleving de gevolgen draagt in de vorm van een onder druk staande gezondheidszorg, gebrekkige infrastructuur en hardnekkige ongelijkheid, blijft financiële controle binnen de overheid te vaak beperkt tot verantwoording achteraf. Het recente uitstel van de Comptabiliteitswet 2024 laat zien dat het probleem dieper zit dan een technische vertraging. Het legt een combinatie bloot van institutionele zwakte, bestuurlijke onderschatting en politieke vrijblijvendheid.

De Comptabiliteitswet 2024 werd gepresenteerd als een belangrijke stap richting modernisering van het financieel beheer van de overheid. Digitale registratie, betere verantwoording, strakkere begrotingsdiscipline en meer inzicht in de besteding van publieke middelen, moesten bijdragen aan een transparanter bestuur. Nog voordat de wet volledig in werking kon treden, besloot De Nationale Assemblée echter tot uitstel van de invoering tot 2028.

Juist daarin schuilt de kern van het probleem. De vraag is niet alleen waarom de wet wordt uitgesteld, maar vooral waarom essentiële voorbereidingen niet al waren getroffen toen de wet werd aangenomen. De officiële verklaring luidt dat de randvoorwaarden nog ontbreken. ICT-systemen zijn niet gereed, uitvoeringsstructuren moeten worden versterkt en belangrijke instrumenten, zoals begrotingsregels, uitgavenplafonds en meerjarige financiële kaders, zijn nog onvoldoende ontwikkeld. Dat zijn op zichzelf legitieme problemen; wetgeving heeft immers weinig waarde wanneer de overheid niet in staat is haar uit te voeren.

Misschien wel het meest zorgwekkende signaal is dat begrotingsvoorbereidingen voor de komende jaren grotendeels zijn gebaseerd op het bestaande wettelijke kader. Daarmee ontstaat de indruk dat de modernisering van het financieel beheer politiek werd aangekondigd voordat de overheid zichzelf daadwerkelijk had voorbereid op de uitvoering ervan. Dit wijst op een bestuurscultuur waarin ambitieuze hervormingen worden afgekondigd, zonder dat voldoende aandacht wordt besteed aan de institutionele voorwaarden die nodig zijn om ze te laten slagen. Het risico is dat wetgeving vooral een politiek uithangbord wordt, terwijl de praktijk nauwelijks verandert.

Tegelijkertijd raakt het debat aan een fundamentelere vraag. Financiële controle wordt vaak gezien als het exclusieve domein van accountants, juristen en begrotingsspecialisten. Kloppen de cijfers? Zijn de procedures gevolgd? Dat zijn belangrijke vragen, maar ze vormen slechts een deel van het verhaal. Achter iedere begrotingspost schuilt uiteindelijk een politieke keuze over de verdeling van schaarse middelen. Financieel beheer gaat daarom niet alleen over rechtmatigheid, maar ook over maatschappelijke prioriteiten.

Wanneer financieel toezicht tekortschiet, worden de gevolgen bovendien niet gelijk verdeeld. Burgers met inkomen, invloed of toegang tot particuliere voorzieningen vinden vaak alternatieven wanneer publieke diensten falen. Voor kwetsbare huishoudens geldt dat niet. Juist zij zijn in veel grotere mate afhankelijk van goed functionerende scholen, toegankelijke gezondheidszorg en betrouwbare publieke voorzieningen. Transparant financieel beheer is daarom uiteindelijk geen technisch onderwerp, maar een kwestie van sociale rechtvaardigheid.


Juist daarom is het zorgwekkend dat de modernisering van het financieel toezicht wordt uitgesteld in de aanloop naar een grote economische transformatie. De verwachte eerste grote offshore olie-inkomsten komen steeds dichterbij. De internationale geschiedenis laat zien dat natuurlijke rijkdom zonder sterke instituties eerder een risico dan een zegen kan zijn. Van Nigeria tot Venezuela zijn voorbeelden te vinden van landen waar grondstoffeninkomsten niet leidden tot brede welvaart, maar juist tot grotere ongelijkheid, zwakkere democratische controle en groeiende afhankelijkheid van politieke machtsstructuren.


Gebrekkige transparantie bevoordeelt bovendien zelden de burger. Zij vergroot vooral de ruimte voor politieke patronage, belangenverstrengeling en een ongelijke verdeling van publieke middelen. Het is dan ook veelzeggend dat de zorgen over het uitstel niet uitsluitend uit de samenleving komen. Ook binnen De Nationale Assemblée is gewaarschuwd dat Suriname zich in de aanloop naar de olie-inkomsten geen verzwakking van financiële controle kan permitteren. Tijdens de parlementaire behandeling zijn zelfs alternatieven aangedragen, waaronder een gefaseerde invoering van onderdelen van de wet die al uitvoerbaar zouden zijn. Dat roept de vraag op waarom uiteindelijk is gekozen voor een brede opschorting.

Wie het debat reduceert tot een ICT-probleem, mist de kern van de zaak. Transparantie vraagt om sterke instituties, deskundige uitvoering, onafhankelijke financiële expertise en politieke bereidheid om financiële controle serieus te nemen. Financiële professionals binnen de overheid moeten vooraf inzichtelijk maken welke maatschappelijke gevolgen beleidskeuzes hebben.

Het uitstel van de Comptabiliteitswet 2024 is daarom meer dan een vertraging van een wetgevingsproject; het is een waarschuwingssignaal. Juist in de jaren waarin de fundamenten worden gelegd voor een toekomstige olie-economie, wordt zichtbaar hoe kwetsbaar de bestuurlijke infrastructuur nog altijd is. De belangrijkere vraag is of Suriname klaar is voor de verantwoordelijkheden die met de toekomstige olie-inkomsten gepaard gaan.

Vincent Roep

| starnieuws | Door: Redactie