
OPINIE – Economische alchemie en de mythe van de lagere royalty
| surinamevandaag | Door: Redactie
(Door: K. (Chinta) Ramdhan) – Het idee klinkt verleidelijk: verlaag de goudroyalty en legale productie en staatsinkomsten zullen vanzelf stijgen. Deze redenering wordt gekoppeld aan de recente verlaging van het PSA-tarief, die inderdaad leidde tot meer aanvragen. Maar wat werkt voor een administratief document, werkt niet automatisch voor goud.
Een PSA-pas is een administratieve dienst binnen een gecontroleerd, digitaal systeem. Er bestaat geen alternatief voor wie het officieel wil regelen. De procedure is helder, de nalevingskosten laag en de handhaving relatief eenvoudig. Wanneer de prijs daalt, is het economisch rationeel dat meer mensen de dienst legaal
De goudsector functioneert fundamenteel anders. Goud is fysiek, waardevol en internationaal verhandelbaar. In Suriname is goudsmokkel geen theoretische mogelijkheid; het gebeurt. De essentie van het probleem is niet het tarief, maar de institutionele structuur die het ondersteunt. Handhaving is zwak, toezicht gefragmenteerd en controlecapaciteit beperkt. Daardoor ontstaat ruimte voor ontwijking en ontduiking, ongeacht het exacte percentage royalty.
In dit licht werkt een tariefverlaging anders dan bij een PSA-pas. Ze verlaagt in eerste instantie alleen de afdrachten van wie al legaal opereert. Of
Daarnaast speelt de economische rente een rol. Goudwinning genereert bovengemiddelde winst, de zogenaamde grondstoffenrente. Royalty’s en belastingen zijn bedoeld om een deel daarvan voor de samenleving veilig te stellen. Als productievolumes hoog zijn en de wereldmarktprijzen gunstig, maar de staatsinkomsten achterblijven, wijst dat op structurele problemen in toezicht en fiscale capture, niet op een te hoog tarief.
Officiële exportcijfers laten de laatste jaren aanzienlijke schommelingen zien, ondanks hoge internationale goudprijzen. Dat signaal wijst niet op een “te hoge” royalty, maar op onderrapportage, smokkel en institutionele zwaktes. Het beleidsinstrument is in dit geval niet primair fiscaal, maar institutioneel. Pas als toezicht en handhaving op orde zijn, kan een wijziging van de royalty effectief zijn.
Dit betekent niet dat tarieven nooit herzien mogen worden. Een periodieke evaluatie in het licht van internationale concurrentie, productiekosten en investeringsklimaat is verantwoord. Maar een tariefverlaging presenteren als dé oplossing voor structurele nalevingsproblemen is analytisch onhoudbaar.
Economisch beleid vraagt onderscheid tussen prijsprikkels en institutionele capaciteit. Waar naleving hoog is en alternatieven ontbreken, kan een tariefverlaging gedrag beïnvloeden. Waar informele circuits diepgeworteld zijn en toezicht tekortschiet, heeft een tariefmaatregel beperkt effect — of werkt zelfs contraproductief voor de staatskas.
De centrale vraag is daarom niet of een lagere royalty in theorie meer inkomsten kan genereren, maar of de Surinaamse institutionele realiteit die uitkomst waarschijnlijk maakt. Zonder versterking van controlemechanismen, transparantie in productie- en exportketens en consequente sancties blijft een tariefverlaging vooral een gok op gedragsverandering, geen structurele hervorming.
Publieke middelen en natuurlijke hulpbronnen vragen om beleid dat rust op empirische analyse en institutionele consistentie. In de goudsector betekent dit: eerst het lek dichten, dan pas de kraan bijstellen.
De rechtvaardiging van de verlaging van de goudroyalty op basis van de PSA-tariefverlaging is dan ook onhoudbaar. Lagere tarieven zijn geen wondermiddel; zonder toezicht en handhaving blijft economische alchemie een illusie.
K. (Chinta) Ramdhan
| surinamevandaag | Door: Redactie



































