• woensdag 04 June 2025
  • Het laatste nieuws uit Suriname

Na-distributie Moni Karta gaande; veel verzoeken bouwsubsidie

Ingediend door admin op

Het ministerie van Sociale Zaken en Volkshuisvesting (SoZaVo) is momenteel bezig met de na-distributie van niet opgehaalde Moni Karta’s (MK’s). Deze distributie vindt momenteel plaats in het oud-gebouw van Surpost aan het Kerkplein. SoZaVo-minister Ines Pané zegt dat het gaat om alle tien districten en het betreft de vier uitkeringen: Financiële Bijstand Zwakke Huishouden (FBZH); Financiële Bijstand Mensen met een Beperking (FBMB), Algemene Kinderbijslag (AKB) en Koopkrachtversterking (KKV). De bewindsvrouw ging tijdens een regeringsraadpersconferentie op donderdag 28 november ook in op het beleidsonderdeel Bouwsubsidie, waarvoor er veel aanvragen binnenkomen.

Pané zegt dat de distributie van Moni Karta in verschillende trajecten

verloopt. Het eerste traject betreft op dit moment de na-distributie aan personen uit geheel Suriname, die tijdens de reguliere distributie in 2023 hun Moni Karta niet zijn komen ophalen. “Na elke distributieronde is er steeds een na-distributie en ook toen zijn deze cliënten hun kaart niet komen ophalen. De oproep geschiedde toen en ook nu weer via lokale media”, aldus de bewindsvrouw. Ze geeft aan dat SoZaVo thans met de derde landelijke poging bezig is om de cliënten in de gelegenheid te stellen alsnog hun Moni Karta op te halen. De na-distributie, die op 11 november van start is gegaan,
loopt door tot 4 december.

Minister Pané presenteerde het volgende: voor AKB waren er 5811 MK’s over; tot op dit moment zijn 1229 opgehaald. Voor KKV waren er 6195 MK’s over en tot op dit moment zijn er 1335 opgehaald. Van de 1234 MK’s voor FBMB en FBZH zijn er 276 opgehaald. “Het ministerie zet zich tot het uiterste in om alle kaarten bij de rechthebbenden te krijgen. Dit doen wij onder andere door de namen van de cliënten te publiceren”, aldus de minister. De distributie van MK’s voor 2024 is nog niet van start, omdat de kaarten nog niet volledig van de bank zijn ontvangen. “Het ministerie werkt”, aldus minister Pané, “eraan om deze begunstigden bij de volgende distributie van Moni Karta’s te voorzien.” De distributie voor de districten Paramaribo en Wanica zal ook via het oud-Surpostgebouw plaatsvinden, terwijl die van de overige districten in die districten zelf zal plaatsvinden.

SoZaVo ontvangt veel verzoeken voor bouwsubsidie. Dit is een financiële ondersteuning voor afbouw, bijbouw of reparatie van woningen of voor gezinnen in wooncrisis. “Met deze maatregel streeft het ministerie ernaar degenen tegemoet te komen die zonder overheidssteun niet instaat zijn hun woonsituatie te verbeteren”, aldus de bewindsvrouw. Zij noemt onder anderen mensen die arbeidsongeschikt zijn verklaard, langdurig ziek zijn, slachtoffers van natuurgeweld, mensen met een beperking, instellingen die mensen met een beperking opvangen en huisvesting voor senioren. Voor het begrotingsjaar 2024 is het programma, vanwege de grote behoefte, uitgebreid. Het subsidiebedrag is gesteld op SRD 100.000 per aanvraag. De totale raming voor dit beleidsonderdeel is gesteld op SRD 30 miljoen. Minister Pané: “We kunnen dus 300 woon- en leefsituaties verbeteren. Een voorwaarde is wel dat de aanvrager een eigendomsakte zal moeten aantonen en een gezinsinkomen van maximaal SRD 12.000 moet hebben.

Suriname pleit voor duurzame klimaatsfinanciering

Ingediend door admin op

Minister Marciano Dasai heeft tijdens zijn deelname aan de recente COP29-conferentie de nadruk gelegd op de belangrijke onderwerpen van klimaatsfinanciering en de transformatie van Suriname naar een koolstofarme economie. Een van de belangrijkste kwesties die door Suriname werd aangekaart, was de New Collective Quantified Goal (NCQG), een fundamentele stap in het verkrijgen van de middelen die nodig zijn voor zowel adaptatie als mitigatie van klimaatverandering. “Het is essentieel dat we op een gegeven moment de benodigde middelen ontvangen om ons land aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen”, aldus minister Dasai

op 28 november tijdens een regeringsraadpersconferentie.

De bewindsman merkt op dat Suriname een van de weinige landen in de regio is die fysiek aanwezig was om een sterk statement af te geven over de noodzaak voor klimaatsfinanciering. “Er wordt vaak niet geluisterd naar de kwetsbare landen, ondanks dat wij de grootste gevolgen ondervinden.” Minister Dasai benadrukt dat van alle klimaatsfinanciering slechts een klein percentage naar deze kwetsbare landen gaat, en Suriname heeft dan ook gevraagd om meer aandacht en financiering voor de landen, die het hardst getroffen worden door de klimaatcrisis.

Tijdens de conferentie werden verschillende thema’s besproken, waaronder NCQG, mitigatie, adaptatie

en ‘just transition’ – de rechtvaardige transitie naar een koolstofarme economie. Minister Dasai legt uit dat landen zoals Suriname tegen uitdagingen aanlopen, zoals een gebrek aan technologie, capaciteit en financiële middelen, die essentieel zijn voor het bevorderen van een rechtvaardige transitie. “We moeten deze technologieën en capaciteiten ontwikkelen, maar daarvoor hebben we ondersteuning nodig.”

Een ander belangrijk onderwerp tijdens de COP was artikel 6 van het Klimaatakkoord, dat de basis legt voor markten voor koolstofkredieten en de mechanismen voor internationale samenwerking op het gebied van klimaatfinanciering. Minister Dasai geeft aan dat Suriname zijn inspanningen heeft geconcentreerd op het verkrijgen van meer financiering voor het land via het verbeteren van de toegang tot klimaatfondsen. “Artikel 6 is van groot belang voor Suriname, omdat het ons helpt om klimaatfinanciering te verkrijgen door middel van samenwerking met andere landen”, onderstreept de milieuminister.

Tijdens de klimaattop in Azerbeidzjan vroeg minister Dasai ook aandacht voor de administratieve barrières die vaak een obstakel vormen voor de toegang tot klimaatsfinanciering. Hij stelde dat de bureaucratische processen bij organisaties zoals de ECF (Environmental Climate Fund) en GEF (Global Environmental Facility) het moeilijk maken voor ontwikkelingslanden om snel toegang te krijgen tot benodigde fondsen. “We hebben gepleit voor het verlagen van de drempels om toegang te krijgen tot klimaatsfinanciering, zodat we sneller kunnen handelen en onze projecten kunnen presenteren.”

Wat betreft de financiële toezeggingen werden de verwachtingen van de ontwikkelingslanden niet volledig ingelost. De landen hadden gehoopt op een doelstelling van 1,3 triljoen dollar per jaar, maar uiteindelijk werd een bedrag van 302 miljard dollar toegekend aan de ontwikkelingslanden. “Dit is niet genoeg, maar het is een stap in de juiste richting”, zegt de minister. Hij geeft aan dat de verdeling van de middelen zo’n 1 miljoen US dollar per land per jaar oplevert, wat in de praktijk betekent dat de landen hard moeten werken om projecten te identificeren en voor te dragen om daadwerkelijk toegang te krijgen tot deze middelen. Minister Dasai concludeert dat Surinames focus op de NCQG en artikel 6 van groot belang is voor de verdere verduurzaming van het land. “Er is veel werk te doen, maar met de juiste inspanningen kunnen we de klimaatuitdagingen het hoofd bieden en tegelijkertijd onze duurzame ontwikkeling bevorderen.”

Minister Dasai: ‘Suriname kan strijd tegen klimaatverandering niet alleen voeren’

Ingediend door admin op

Minister Marciano Dasai van Ruimtelijke Ordening en Milieu (ROM) heeft tijdens een regeringspersconferentie de deelname van Suriname aan de VN-klimaattop in Azerbeidzjan toegelicht. Deze bijeenkomst, bekend als COP29, bracht 70.000 deelnemers samen om klimaatbeleid te bespreken zoals vastgelegd in het Akkoord van Parijs. Volgens de bewindsman staat de wereld voor een drievoudige milieudreiging: verlies van biodiversiteit, vervuiling en klimaatverandering. “Dit zijn uitdagingen die niet alleen Suriname treffen, maar overal merkbaar zijn”, aldus de minister op donderdag 28 november.

Hij wijst op de tastbare impact van klimaatverandering in Suriname, waaronder krachtige rukwinden die daken vernielen en het opdrogen van rivieren. Daarnaast

gaat hij in op de grote uitdaging voor ontwikkelingslanden om financiering te verkrijgen voor zowel mitigatie als adaptatie, wat essentieel is voor het aanpakken van de klimaatcrisis. “Mitigatie is cruciaal omdat we de uitstoot van CO₂, de belangrijkste oorzaak van klimaatverandering, drastisch moeten verminderen.” Tegelijkertijd is adaptatie volgens hem noodzakelijk om de gevolgen van klimaatverandering het hoofd te bieden. “Dit vereist dat we anders bouwen en zorgen dat onze infrastructuur bestand is tegen de impact van klimaatverandering.”

Suriname is binnen de onderhandelingen van de COP aangesloten bij de Alliance of Small Island States (AOSIS), een groep van 39 landen met vergelijkbare

kwetsbaarheden. Minister Dasai benadrukt dat deze klimaattop, ook wel de Climate COP genoemd, draait om het verkrijgen van meer steun vanuit ontwikkelde landen. “Hoewel ontwikkelde landen verantwoordelijk zijn voor de meeste van de wereldwijde CO₂-uitstoot, voelen ontwikkelingslanden zoals Suriname de zwaarste gevolgen.” Hij roept op tot meer internationale samenwerking en steun. “Suriname kan deze strijd niet alleen voeren. Het is essentieel dat er meer middelen en kennis beschikbaar komen om onze bevolking en economie te beschermen tegen de impact van klimaatverandering.”

Minister Abiamofo ontvangt delegatie Rijkswaterstaat en Wereld Waternet

Ingediend door admin op

Minister David Abiamofo van Natuurlijke Hulpbronnen (NH) heeft een delegatie van Rijkswaterstaat en Wereld Waternet ontvangen. Het bezoek dat op 26 november plaatsvond, stond in het teken van de officiële introductie van beide organisaties, die als partners van NH betrokken zijn bij het Makandra-project, aan de bewindsman. Daarnaast zijn diverse samenwerkingsverbanden op het gebied van waterbeheer besproken.

De minister is tijdens dit kennismakingsmoment geïnformeerd over de voortgang van het Makandra-project, een samenwerking tussen Suriname en de stad Amsterdam, waarbij de focus binnen NH op capaciteitsversterking van de afdeling Integraal Waterbeheer (IWB) ligt. Deze afdeling, die onder het directoraat Water ressorteert,

vervult een cruciale rol in de coördinatie en het duurzaam beheer van de nationale waterbronnen.

Tijdens het gesprek onderstreepte de minister het belang van integrale samenwerking om synergieën te creëren en duurzame verbindingen te realiseren. Dit, ter bescherming van onze waterbronnen. De NH-bewindsman stelde dat Suriname zich in een fase bevindt waarin een inhaalslag noodzakelijk is om de uitdagingen rondom het veiligstellen van onze waterbronnen in verschillende sectoren, waaronder ook de mijnbouwsector, effectief aan te pakken. Daarbij gaat specifieke aandacht uit naar de herziening en versterking van de waterwetgeving.

De aanwezige delegatie bestond uit Kees van der Lugt en Cynthia Roose van

de organisatie Wereld Waternet, en Guus Schutjes van Rijkswaterstaat. Ook de directeur Water van NH, Gonda Asadang, was aanwezig bij de meeting. De minister ontving van de delegatie tevens het boekwerkCollaboration for healthy water cycle, dat onder andere het belang van samenwerking tussen partijen bij het bevorderen van een gezond waterbeheer en een duurzame watercyclus bespreekt.

Agro-ondernemers in Coronie getraind in markoesateelt

Ingediend door admin op

In het kader van het Minor Fruits Project van het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij(LVV) heeft vandaag de eerste sessie van de Farmer Field School (FFS) plaatsgevonden op dedemonstratieplot voor markoesateelt in het district Coronie. Tijdens deze sessie werden 20 lokalelandbouwers en potentiële ondernemers getraind door deskundigen van het LVV-directoraatLandbouwkundig Onderzoek, Afzet en Verwerking (DLOAV). De onderwerpen die behandeldwerden, omvatten onder andere bodemgesteldheid, bemesting, waterbeheer en andere belangrijkefactoren voor een succesvolle markoesateelt.

Deze training maakt deel uit van het Inter-American Development Bank-project AgriculturalCompetitiveness Program (SU-L 1020), component II: Minor Fruits. Binnen dit project wordenin verschillende districten Farmers Field Schools

opgezet, waar landbouwers en experts kennismet elkaar delen. Het hoofddoel van dit project is om de markoesaproductie in Suriname teverhogen. Investeren in kennis en expertise is essentieel om dit doel te bereiken en de sectorverder te ontwikkelen.

Minister Ramdin: “Tijd voor een rustig ontwikkelingsproces van Suriname”

Ingediend door admin op

“Ik denk dat het tijd wordt dat bij 50 jaar viering we een start maken met een rustig ontwikkelingsproces, waarbij we niet iedere keer door een moeilijke periode moeten gaan.” Dit zei minister Albert Ramdin van Buitenlandse Zaken, International Business en Internationale Samenwerking (BIBIS) op 27 november in een interview met de Communicatie Dienst Suriname (CDS), waar hij terugblikte op de viering van de 49jaar onafhankelijkheid. Minister Ramdin sprak van een vredig verlopen proces, maar bleef ook stilstaan bij de minder plezierige ontwikkelingen, zoals een staatsgreep, economische achteruitgang, het einde van de bauxietindustrie en migratiebewegingen naar Nederland.

Hoewel de minister

meent dat een land met deze momenten ook een eigen identiteit opbouwt, stelt hij dat een land wel rust nodig heeft om tot ontwikkeling te komen. “Wat we na 49 jaar wel mogen zeggen, is dat het Surinaamse volk goed stand heeft gehouden, veerkrachtig is geweest, en moeilijke tijden heeft overwonnen. Het heeft veel opofferingen gebracht op verschillende momenten, ook recentelijk met het hervormingsprogramma dat we moesten doorvoeren.” De bewindsman hoopt dat met het financieel-economisch fundament, dat is gelegd verder gebouwd kan worden en Suriname eindelijk in rust verder opgebouwd kan worden

Minister Ramdin gaf aan dat deze rust verder gaat

dan alleen economische groei. “Wat belangrijk is voor de samenleving, is dat men vreedzaam kan leven, zich veilig kan voelen, goed onderwijs kan genieten, en zich geen zorgen hoeft te maken over medische voorzieningen. Ouderen moeten een goede oude dag kunnen doorbrengen, jongeren moeten kansen krijgen, en rechtvaardigheid moet zegevieren. Er mag geen onderscheid zijn tussen iemand die in een betere positie verkeert en iemand die die ruimte niet heeft. Dat is een samenleving die rechtvaardig is, en daarop moeten we focussen”, aldus de minister.

Hij kijkt met optimisme naar de toekomst en hoopt dat in de aanloop naar 50 jaar onafhankelijkheid Surinames voor zichzelf een toekomstvisie ontwikkelen – individueel, collectief en als samenleving – en dat het volk op den duur een rustige manier van ontwikkeling heeft, waarbij elke Surinamer zich happy kan voelen. “Mensen moeten de gelegenheid hebben om bijvoorbeeld het weekend elders door te brengen, waar het goed vertoeven is. Dat kan nu niet, omdat de kosten hoog zijn. Voor mij is dat belangrijk, omdat je meer rust creëert in de samenleving. Wanneer mensen uitgerust maandag aan het werk verschijnen, betekent dat automatisch betere productie, en dat is wat we nodig hebben.”

Minister Ramdin is blij dat er geen issues zijn geweest de recente viering van 49 jaar onafhankelijkheid. Hij wijst op de toespraak van president Chandrikapersad Santokhi over de leefbaarheid en ook de nieuwe koers die is uitgezet met de ontwikkeling van een bauxietindustrie in West-Suriname, en welke ook middelen gaat opleveren. “Langzaam zien we dat er dynamiek ontstaat in de samenleving. Wanneer je productie hebt, heb je inkomsten en werkgelegenheid. Daar gaat het om. Ik hoop dat het volk positief en met veel goede hoop kijkt naar de toekomst en weet dat er alles aan wordt gedaan om het mooie Suriname dat we kennen weer zo te hebben”, aldus de bewindsman.

Minister Ori constateert normalisatie onderwijsproces binnenland

Ingediend door admin op

Minister Henry Ori van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (MinOWC) constateert een normalisering van het onderwijsproces in het binnenland. Hij merkt op dat er de afgelopen week verschillende issues zijn geweest. “Maar ik moet zeggen dat langzamerhand zaken zich normaliseren, precies wat ik had verwacht. Het heeft wat later ingezet, dan ik had voorspeld eind oktober.” Zo sprak de bewindsman tijdens een regeringsraadpersconferentie op donderdag 28 november. Volgens minister Ori was er sprake van een bijzondere situatie vanwege de droogte van de rivieren, drinkwaterproblematiek in het binnenland en het verlate transport van leerkrachten.

“Maar langzamerhand is het zuiden nu weer bemenst

met leerkrachten. Er zijn hier en daar nog issues van leerkrachtenwoningen en leerkrachten die nog schaars zijn op een aantal plekken. Maar langzamerhand proberen we met inventiviteit en combinatieklassen zaken te normaliseren.” De bewindsman zegt dat er ook inhaalprogramma’s worden gedraaid, waarbij in verschillende dorpen op de maandag, woensdag en zaterdag volgens aan de leerkrachten gegeven instructies zoveel mogelijk eerstekwartaalles bij de leerlingen wordt ingehaald.

Ten aanzien van de kwestie-Stoelmanseiland, waar men uit onvrede over de onderwijssituatie de landingsbaan had gebarricadeerd, zegt minister Ori dat er dialoog is geweest met het Traditioneel Gezag, de lokale gemeenschap en leerkrachten. Gevraagd is om

het onderwijsproces te normaliseren. Tijdens een krutu is ook een aantal punten besproken, zoals het herstel van de onderwijssituatie, renovatie en afbouw van leerkrachtwoningen, renovatie van de VOJ-school, wegwerken van het tekort aan leerkrachten en gezond drinkwater voor de leerkrachten. Het aantal leerkrachten van 13 wordt met 7 opgevoerd, er worden schoolboeken bijgedrukt. De bedoeling is ook om zoveel mogelijk leerkrachten die in het binnenland werken te voorzien van laptop met internet.

Minister Ori spreekt eveneens van een stukje normalisatie in Paramaribo en Wanica. Veertien scholen in deze gebieden werken nog volgens de AB-procedure, waarbij leerlingen om ene dag naar school gaan. Het ministerie hoopt deze situatie na het eerste kwartaal tot het verleden te doen behoren. Minister Ori verduidelijkt dat een aantal scholen wordt klaargemaakt om deze procedure af te sluiten en langzaam terug te gaan naar normalisatie. Hij merkt wel op dat er hele goede resultaten met dit systeem zijn. “Doordat er in kleine groepen wordt gewerkt, zijn de resultaten veel beter dan bij grotere klassen.”